• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Probu

2 februari 2026

Omdat je verder wilt

Faillissement Geesink Norba definitief afgerond

Eind 2023 sprak de rechtbank Midden-Nederland het faillissement uit van vuilniswagenfabrikant Geesink Norba Holding B.V. en vier gelieerde vennootschappen in Emmeloord. De groep had vestigingen in diverse Europese landen en ongeveer 400 medewerkers, waarvan 250 in Nederland.

Oorzaken van het faillissement
Het bedrijf kampte al jaren met financiële problemen door een verlieslatende exploitatie, gebrek aan centrale sturing en veel wisselingen in management en aandeelhouders.

De prijzen van de vuilniswagens waren te laag ten opzichte van de hoge productiekosten, waardoor te weinig marge kon worden gemaakt. Ook het intensieve gebruik van externe adviseurs zorgde voor hoge kosten.

Interne conflicten leidden vlak voor het faillissement nog tot een kostbare enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer.

Voortzetting en doorstart
De curator heeft de werkzaamheden tijdelijk voortgezet om het onderhanden werk af te ronden en activa te verkopen.

Diverse vuilniswagens konden nog worden afgebouwd en uitgeleverd aan klanten in binnen- en buitenland. Openstaande vorderingen op debiteuren konden grotendeels worden geïncasseerd.

Per 1 januari 2024 zijn de activiteiten en bedrijfsmiddelen van Geesink overgenomen door Haller Benelux B.V., onderdeel van het Duitse Zoeller Kipper, samen met het Spaanse bedrijf Palvi S.L.

Ook het bedrijfspand in Emmeloord en de Spaanse fabriek in Sevilla zijn bij de overname betrokken. Dankzij deze doorstart kon een groot deel van het personeel aan het werk blijven.

Crediteurenakkoord en afwikkeling
Na de verificatievergaderingen in december 2024 en juni 2025 ontvingen alle crediteuren volledige betaling als onderdeel van een aangeboden crediteurenakkoord.

Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat de aandeelhouders van Geesink bereid waren een aanzienlijke vordering bij het crediteurenakkoord buiten beschouwing te laten.

Hierdoor konden alle crediteuren volledig worden voldaan. Eind 2025 heeft de rechtbank het eindverslag goedgekeurd en is het faillissement definitief afgerond.

Seerp Gratama, voormalig curator

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

11 december 2025

Omdat je verder wilt

Belangen van het kind bij ontruiming: Hoge Raad geeft handvatten

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 prejudiciële vragen beantwoord over de rol van artikel 3 IVRK bij vorderingen tot ontruiming van woningen waar ook minderjarige kinderen in wonen. Art. 3 lid 1 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In de praktijk bestond geen eenduidige lijn over hoe zwaar de belangen van het kind moeten wegen bij ontbinding en ontruiming van woonruimte. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft daarom negen prejudiciële vragen gesteld, die met name betrekking hebben op de betekenis van ‘de eerste overweging’, de onderzoeksplicht van de rechter en de vraag of voorwaarden aan een ontruiming kunnen worden verbonden.

Prejudiciële vragen en overwegingen van de Hoge raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de belangen van het kind volgens art. 3 lid 1 IVRK  ‘de eerste overweging’ moeten vormen, maar niet doorslaggevend zijn. Dat betekent niet dat, als het belang van de kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering altijd moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
De rechter moet de belangen van het kind expliciet meewegen naast factoren als (i) de beschikbaarheid van alternatieve huisvesting, (ii) de ernst van de tekortkoming van de huurder en (iii) het belang van de verhuurder.

De rechter dient (eventueel ambtshalve) te onderzoeken of kinderen bij de ontruiming zijn betrokken en welke gevolgen de ontruiming voor hen heeft. De rechter is hierbij wel afhankelijk van de informatie die partijen verstrekken; het is niet zijn taak om contact te leggen met gemeentes en hulpverleningsinstanties.

De Hoge Raad maakt ook duidelijk dat de rechter de ontruiming kan afstemmen op de omstandigheden van het geval door bijvoorbeeld een langere ontruimingstermijn te geven of de uitspraak aan te houden om het zoeken naar alternatieve huisvesting te faciliteren. De Hoge Raad benadrukt daarbij dat het zorgen voor opvang niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort.

Conclusie
De belangen van het kind moeten bij de beoordeling van de rechter als “eerste overweging” in aanmerking worden genomen, maar blijven onderdeel van een bredere belangenafweging waarin ook de belangen van verhuurder en omwonenden een rol spelen. De rechter moet daarbij actief onderzoeken wat de gevolgen van een ontruiming zijn, zonder de procesrechtelijke grenzen te overschrijden. Omdat de uitkomst van de belangenafweging per ontruimingszaak steeds afhangt van alle omstandigheden van het geval, neemt de voorspelbaarheid daarvan met deze uitspraak niet toe. Van een duidelijke lijn is vooralsnog geen sprake.

Lees de uitspraak van de Hoge Raad hier: ECLI:NL:HR:2025:1799, Hoge Raad, 24/04220

Vragen over de rol van art. 3 IVRK bij ontruimingsvorderingen?
Neem contact op met Juliette Soomers 

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

8 december 2025

Omdat je verder wilt

Wanneer is te laat niet écht te laat? Een verschuiving in het bestuursrecht

Het bestuursrecht kent strikte termijnen. De vraag wanneer te late bezwaren toch moeten worden geaccepteerd, wordt echter relevanter. In de uitspraak van 12 november 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) speelden medische en psychische problemen en geringe verwijtbaarheid een grote rol. Lees hieronder wat de Afdeling oordeelde en wat de gevolgen voor de praktijk zijn.

Zaak
De betrokkene vroeg op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen om overname van haar private schulden. De minister van Financiën (hierna: “Minister”) wees dit in juni 2022 af. De bezwaartermijn liep tot 8 augustus 2022, maar zij maakte pas op 22 februari 2023 bezwaar. De Minister verklaarde dit bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet “verschoonbaar” was, omdat geen medische stukken bewezen dat zij zelf of via een ander geen bezwaar kon maken.

Verschoonbare termijnoverschrijding
Een bezwaar- of beroepschrift moet normaal binnen zes weken worden ingediend. Dit mag meestal ook pro forma, waarna de indiener later de redenen kan aanvullen. Bij te late indiening wordt het bezwaar of beroep doorgaans niet-ontvankelijk verklaard. Alleen wanneer er een geldige en overtuigende reden is waarom het stuk niet eerder kon worden ingediend, wordt een termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ geacht. Vanwege het belang van rechtszekerheid wordt zo’n uitzondering veelal niet snel aangenomen.

Verschoonbare termijnoverschrijding – de rechtspraak in beweging
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: “CBb”) oordeelde op 30 januari 2024 in vier uitspraken dat ruimer kan worden omgegaan met te late bezwaar- of beroepschriften. Volgens het CBb moet meer oog zijn voor bijzondere omstandigheden en per geval worden gekeken wat redelijk is. Ook de belangen van andere partijen spelen mee. Als derden nauwelijks nadeel ondervinden, is er meer ruimte om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bijzondere omstandigheden kunnen extern maar ook persoonlijk zijn, zoals psychische problemen, ernstige ziekte of een ongeval. Ook wanneer iemand in mindere mate verwijtbaar heeft gehandeld, kan dat aanleiding zijn voor verschoonbaarheid. Wel moet het bezwaar- of beroepschrift alsnog zo snel mogelijk worden ingediend zodra dit redelijkerwijs kan.

Geringe verwijtbaarheid
De Afdeling oordeelt in deze zaak dat het te laat ingediende bezwaar toch ontvankelijk is. Volgens de Afdeling is sprake van een samenloop van bijzondere omstandigheden, vooral van medische en psychische aard, waardoor de termijnoverschrijding de betrokkene niet kon worden toegerekend. Haar partner kon haar bovendien niet helpen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. De Afdeling acht aannemelijk dat de vrouw direct rechtshulp heeft gezocht zodra zij daartoe weer in staat was, waardoor de verwijtbaarheid gering is. Er zijn geen belangen van de Minister of derden die aan verschoonbaarheid in de weg staan. Ook heeft haar advocaat zo snel mogelijk bezwaar gemaakt na kennisname van het weigeringsbesluit. De Minister moet het bezwaar daarom alsnog inhoudelijk behandelen.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat er meer ruimte kan zijn om een te laat bezwaar toch verschoonbaar te achten. De zaak wordt dan toch inhoudelijk behandeld. Dit blijft echter altijd afhankelijk van de concrete omstandigheden, die goed moeten worden onderbouwd. Bestuursorganen doen er daarom goed aan zorgvuldig te beoordelen of een late indiening in het licht van de omstandigheden toch verschoonbaar is.

Speelt termijnoverschrijding en heb je vragen over bezwaar en beroep? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 november 2025

Omdat je verder wilt

Wijziging van het thuiswerkbeleid: aandachtspunten voor jou als werkgever en ondernemingsraad

Je krijgt als werkgever of ondernemingsraad steeds vaker te maken met de vraag: kan het thuiswerkbeleid worden aangepast, en zo ja, onder welke voorwaarden? Dit artikel belicht de belangrijkste aandachtspunten voor veranderingen op dit gebied.

Thuiswerkregeling: wanneer wordt het een arbeidsvoorwaarde?
Thuiswerken is in veel organisaties tijdens de coronaperiode en daarna structureel ingevoerd. In de praktijk wordt thuiswerken regelmatig een arbeidsvoorwaarde, bijvoorbeeld na lange tijd structureel thuiswerken of als afspraken schriftelijk zijn vastgelegd. Dit betekent dat jij dit recht niet zomaar kunt intrekken: thuiswerken kan een verworven recht worden.

Wijzigen van het thuiswerkbeleid
Het wijzigen van arbeidsvoorwaarden – zoals het afbouwen van thuiswerken – kun je niet eenzijdig opleggen, tenzij sprake is van een zwaarwegend bedrijfsbelang en/of een contractueel wijzigingsbeding. Ook dan geldt een dubbele redelijkheidstoets: jouw voorstel moet redelijk zijn én aanvaarding door de werknemer mag niet onredelijk zijn. Zonder expliciete instemming van de werknemer is een wijziging juridisch vaak lastig af te dwingen. Jurisprudentie toont aan dat rechters streng toetsen of het bedrijfsbelang voldoende zwaarwegend is en zorgvuldig kijken naar de belangen van de werknemer.

De rol van de ondernemingsraad
Verandering van het thuiswerkbeleid valt onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad (artikel 27 WOR), omdat het beleid op arbeidsomstandigheden ziet – denk aan werkdruk, werk-privébalans en psychosociale arbeidsbelasting. Je moet bij het aanpassen van beleid dus altijd eerst instemming van de ondernemingsraad vragen. Pas als de ondernemingsraad instemt, kan het beleid formeel worden gewijzigd, maar ook dan kan een individuele werknemer bescherming behouden op basis van verworven rechten.

Praktische tips

  • Breng het bestaande beleid en de praktijk rondom thuiswerken goed in kaart.
  • Check of afspraken over thuiswerken schriftelijk zijn vastgelegd of door de tijd heen een “verworven recht” zijn geworden.
  • Overweeg of de voorgenomen wijziging zodanig zwaarwegend is dat deze juridisch te onderbouwen valt.
  • Betrek de ondernemingsraad tijdig en zorg voor een transparant wijzigingsproces.
  • Faciliteer hybride werkplekken en zorg dat de werkplek – thuis én op kantoor – voldoet aan alle Arbo-eisen.
  • Communiceer duidelijk met medewerkers over de gevolgen van een wijziging en vraag waar nodig expliciete instemming.

Heb jij als werkgever of ondernemingsraad vragen over het thuiswerkbeleid of wil je advies over de juridische mogelijkheden? Wij ondersteunen je graag.
Serena Bank en Barbara Veldmaat

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

24 oktober 2025

Omdat je verder wilt

Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie wegens ‘succes’ verlengd

Op 12 augustus 2025 heeft staatssecretaris Teun Struycken in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met twee jaar wordt verlengd. De wet bevat maatregelen voor meer transparantie en meer rechtsbescherming voor schuldeisers. Ook gaat de wet misbruik van turboliquidaties tegen. Deze verlenging volgt na een evaluatie van de wet en dient als overbrugging naar een definitieve regeling. In deze blog ga ik kort in op wat turboliquidatie inhoudt, de maatregelen uit de wet, de evaluatie ervan en kijk ik vooruit.

Turboliquidatie
Turboliquidatie houdt in dat een vennootschap zonder baten kan worden ontbonden. Met de Tijdelijke wet is beoogd misbruik van deze mogelijkheid tegen te gaan. Ten tijde van de invoering werd verwacht dat veel ondernemers vanwege de economische gevolgen van COVID-19 gebruik zouden maken van turboliquidatie. Om misbruik te voorkomen, heeft de wetgever aanvullende eisen gesteld aan dit proces.

Verplichtingen sinds invoering van de wet
Sinds de invoering van de wet geldt dat binnen 14 dagen na de turboliquidatie een overzicht van baten en lasten, samen met een financiële verantwoording, moet worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast geldt een meldingsplicht aan schuldeisers over de deponering. Misbruik van turboliquidatie is strafbaar en kan leiden tot een bestuursverbod van maximaal vijf jaar.

Evaluatie
Uit de evaluatie blijkt dat de wet haar doel deels heeft bereikt. Er is meer transparantie ontstaan bij turboliquidaties en schuldeisers hebben een betere (bewijs)positie gekregen door de verplichting tot deponering. Wel kwam naar voren dat de handhaving verbetering behoeft. Het openbaar ministerie is als enige gerechtigd een bestuursverbod voor te leggen aan de rechter. Onze collega Lisanne Drenth merkte al op dat de handhaving van de wet bij het openbaar ministerie ligt en dat onduidelijk was of hier voldoende gebruik van zou worden gemaakt. In de evaluatie wordt opgemerkt dat schuldeisers zelf geen mogelijkheid hebben om de handhaving in gang te zetten en wordt geadviseerd deze mogelijkheid alsnog op te nemen.

Vooruitblik
De wet wordt met twee jaar verlengd, tot en met 15 november 2027, zodat de huidige voorzieningen niet vervallen. In de tussentijd werkt het kabinet aan een permanente wet, waarin de huidige maatregelen structureel worden vastgelegd, waarbij extra aandacht wordt besteed aan de handhaving en naleving van de wet. Welke maatregelen daadwerkelijk zullen worden genomen, is nog onduidelijk.

Heb je vragen over turboliquidatie, of word je als schuldeiser geconfronteerd met een turboliquidatie? Neem dan gerust contact op met Ragnild Meulenberg of één van onze andere specialisten.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

16 oktober 2025

Omdat je verder wilt

Nieuwe blog op PONT | Omgeving: Handhaving van de specifieke zorgplicht onder de Omgevingswet

De Omgevingswet legt initiatiefnemers een specifieke zorgplicht op: ze moeten verder kijken dan alleen het strikt naleven van de regels. Maar hoe weet je wanneer sprake is van een evidente overtreding en wanneer een bestuursorgaan mag handhaven?

In hun nieuwste blog bespreken onze kantoorgenoten Roza Morrison en Werner Altenaar de uitdagingen bij de handhaving van deze zorgplicht. Ze gaan in op het evidentiecriterium, de betekenis van open normen en het belang van deskundig onderzoek.

Een must-read voor iedereen die betrokken is bij toezicht, handhaving of vergunningverlening onder de Omgevingswet.
Lees de blog op Omgevingsweb

Contact
Heb je vragen? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 5
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV