• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Probu

30 maart 2026

Omdat je verder wilt

Schijnzelfstandigheid: waar staan we?

Inleiding

Het onderwerp schijnzelfstandigheid houdt arbeidsrechtelijk Nederland al geruime tijd bezig. De aangekondigde herstart van de handhaving door de Belastingdienst per 1 januari 2025 zorgde voor flinke onrust bij opdrachtgevers en zelfstandigen. Veel bestaande zzp‑constructies zijn opnieuw tegen het licht gehouden en getoetst aan de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (Hoge Raad: X/Gemeente Amsterdam (2020), Deliveroo (2023) en Uber (2025)).

Die onrust bij organisaties is begrijpelijk. Het onderscheid tussen loondienst en zelfstandigheid is in de praktijk vaak niet scherp te trekken. Ondertussen zijn er meerdere ontwikkelingen gaande, zowel op het gebied van handhaving als in de wetgeving, die moeten zorgen voor meer rust en duidelijkheid. In dit artikel komen de belangrijkste lijnen aan bod.

Handhaving met een ‘zachte landing’
Om te voorkomen dat de herstart van de handhaving direct tot grote risico’s op sancties voor opdrachtgevers zou leiden, is gekozen voor een zogenoemde zachte landing.

Per 1 januari 2025 betekent dit dat de Belastingdienst wel correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen kan opleggen bij constatering van schijnzelfstandigheid, maar in beginsel niet over perioden vóór 1 januari 2025. Boetes worden nog niet opgelegd. In plaats daarvan wordt ingezet op een begeleidende aanpak. De Belastingdienst start doorgaans met een bedrijfsbezoek, gericht op overleg en het verbeteren van de werkwijze, in plaats van direct handhavend op te treden.

Deze verzachtende aanpak is gedeeltelijk verlengd tot eind 2026. Ook in dit kalenderjaar geldt dat de Belastingdienst bij een vermoeden van schijnzelfstandigheid meestal begint met een bedrijfsbezoek. Het doel blijft overleg en het aanpassen van de praktijk waar nodig. Verzuimboetes blijven ook dit jaar in beginsel achterwege. Wel kunnen vergrijpboetes worden opgelegd als sprake is van opzet of grove schuld. Daarnaast kan de Belastingdienst bij een controle een langere periode onderzoeken dan alleen het laatste aangiftetijdvak. Naheffingen blijven daarmee een reëel risico.

Per 1 januari 2027 vervalt de zachte landing volledig en worden arbeidsrelaties weer op reguliere wijze gehandhaafd.

Nieuwe wetgeving
Naast de handhaving wordt gewerkt aan wetgeving die meer duidelijkheid moet bieden over de kwalificatie van arbeidsrelaties.

Wet Vbar
De Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet Vbar) beoogt de bestaande rechtspraak wettelijk vast te leggen. Het wetsvoorstel bevat verduidelijkende criteria voor werknemerschap, zoals gezag en organisatorische inbedding, en criteria die juist duiden op zelfstandig ondernemerschap.

Daarnaast introduceert het voorstel een rechtsvermoeden van werknemerschap bij lage uurtarieven. Zzp’ers met een uurtarief tot € 38 (peildatum 1 januari 2026) kunnen zich daardoor eenvoudiger op het standpunt stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij de bewijslast voor het aantonen van het tegendeel bij de opdrachtgever ligt.

De Raad van State heeft zich kritisch uitgelaten over het voorstel en spreekt de verwachting uit dat het in de praktijk weinig extra duidelijkheid biedt. Het kabinet heeft inmiddels besloten het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar niet naar het parlement te sturen. Het onderdeel over het rechtsvermoeden bij lage tarieven blijft wel bestaan en wordt ondergebracht in de nieuwe Zelfstandigenwet.

Zelfstandigenwet
De aangekondigde Zelfstandigenwet kiest een andere insteek. De nadruk ligt minder op (her)kwalificatie achteraf en meer op rechtszekerheid vooraf. Centraal staat de vraag of partijen hun samenwerking als opdrachtovereenkomst mogen vormgeven.

 

Het beoogde toetsingskader bestaat uit meerdere elementen, waaronder:

  • een ondernemerstoets, waarin wordt gekeken of de werkende zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt (zoals ondernemersrisico, meerdere opdrachtgevers en tariefvrijheid);
  • een werkrelatietoets, die ziet op de feitelijke inrichting van het werk, zoals vrijheid in de uitvoering en de afwezigheid van hiërarchisch gezag;
  • mogelijke sectorale rechtsvermoedens en vormen van voorafgaande beoordeling, om in specifieke sectoren meer houvast te bieden.

De wet bevindt zich nog in de uitwerkingsfase. Het doel is om meer rust en voorspelbaarheid te brengen in een praktijk waarin opdrachtgevers de afgelopen jaren steeds terughoudender zijn geworden.

 

Tot slot
De handhaving op schijnzelfstandigheid is inmiddels op gang gekomen, terwijl de gewenste verduidelijking via wetgeving nog op zich laat wachten. Het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar is van tafel. De Zelfstandigenwet moet nog langs beide Kamers en zowel de inhoud als de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2026 is daarmee nog onzeker.

Voor organisaties is afwachten geen verstandige strategie. Zeker nu de verzachtende handhavingsmaatregelen per 1 januari 2027 eindigen, is het raadzaam om zzp‑constructies tijdig juridisch te laten toetsen. Een gerichte juridische check vooraf voorkomt fikse naheffingen en boete bij een controle en zorgt voor duidelijkheid en rust binnen de organisatie. Dat is doorgaans efficiënter – en uiteindelijk goedkoper – dan achteraf moeten repareren.

Certa advocaten denkt graag (tijdig) met je mee over wat deze ontwikkelingen voor jouw organisatie betekenen. Ben je benieuwd? Neem dan contact op met Sharif Ali of Matthijs Bos.

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

10 maart 2026

Omdat je verder wilt

Debiteurenbeheer: misschien niet de leukste bezigheid, maar wel erg nuttig en belangrijk

We kennen allemaal die gedachte: die openstaande debiteuren, daar moet ik eigenlijk achteraan, maar dat doe ik liever op een ander moment. Op zich begrijpelijk, maar betaalachterstanden lopen op deze manier sneller op en blijven langer openstaan. Er worden nu eenmaal wel eens facturen over het hoofd gezien, waardoor betaling uitblijft. Hoe langer je wacht met het versturen van een herinnering, hoe groter de kans dat jouw (onbetaalde) factuur onderaan de stapel belandt. Hierdoor verslechtert je positie als crediteur.

Dat zien wij terug bij (ver)huurders en vastgoedbeheerders, maar ook bij handelsondernemingen en natuurlijke personen met een onderneming. De vraag is daarom niet of je moet handelen, maar wanneer.

Het kernprobleem: niets doen en uitstelgedrag ondermijnen het dossier
Waar een betalingsachterstand voorheen vaak tijdelijk was, zien wij nu structureel uitstel. Debiteuren reageren niet of nauwelijks, komen betalingsregelingen niet na en laten nieuwe (huur)termijnen onbetaald. Met name bij achterstallige huurincasso’s kan dit snel leiden tot meerdere maanden achterstand, zonder dat enige actie is ondernomen.

Uitstel wordt vaak ingegeven door de wens om de relatie te behouden en/of door onzekerheid over juridische mogelijkheden. In de praktijk leidt dit juist tot verlies van regie en afnemende verhaalsmogelijkheden aan de zijde van de schuldeiser. Bovendien wil je voorkomen dat bij debiteuren de gedachte ontstaat dat niet of te laat betalen wordt geaccepteerd en dat deze tactiek dus werkt.

Hoe zit het juridisch ook alweer op hoofdlijnen?
Het is aan te bevelen om in contracten en algemene voorwaarden een duidelijke betalingstermijn op te nemen, zodat hierover geen discussie kan ontstaan. Europese richtlijnen schrijven voor dat de maximale betalingstermijn bij handelstransacties tussen bedrijven 60 dagen bedraagt, tenzij tussen partijen afwijkende afspraken worden gemaakt. Als er geen contract is, geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Overheden en instanties moeten hun leveranciers eveneens binnen 30 dagen betalen.

Voor consumententransacties geldt geen vaste betalingstermijn, maar deze moet wel redelijk zijn. In de praktijk wordt een betalingstermijn tussen de 7 en 30 dagen als redelijk beschouwd. Voordat je incassokosten aan consumenten in rekening kunt brengen, moet een zogenaamde 14‑dagenbrief worden gestuurd. Hiermee krijgt de consument nog 14 dagen de tijd om de factuur vrijwillig en zonder kosten te voldoen.

Het is aan te raden om dit proces op een duidelijke en gestandaardiseerde wijze in te richten en de brief per aangetekende post te versturen. Dat klinkt misschien ouderwets, maar zo kan er geen discussie ontstaan over de vraag of de brief wel of niet is ontvangen.

Zekerheden inbouwen
Bij grotere transacties is het aan te raden om, waar mogelijk, zekerheden te bedingen en deze juridisch goed vast te leggen. De meest voorkomende zekerheden zijn een hypotheek op vastgoed of een pandrecht op roerende zaken, zoals handelsvoorraden en bedrijfsinventaris. Daarnaast is in de meeste leverancierscontracten een eigendomsvoorbehoud opgenomen.

Soms zijn dit soort zekerheden echter niet mogelijk of te omslachtig. In dat geval kan het een oplossing zijn om meerdere betrokken partijen het contract als medeschuldeiser hoofdelijk te laten mee tekenen, zodat zij ook aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de volledige betaling. Een vordering op een lege B.V. die verder geen verhaal biedt, brengt immers een groot risico op niet‑betaling met zich mee.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van meerdere debiteuren moet wel zorgvuldig worden vastgelegd. Niets is vervelender dan achteraf te constateren dat een dergelijke vorm van zekerheid uiteindelijk niet kan worden afgedwongen. Als schuldeiser sta je dan mogelijk alsnog met lege handen.

Buitengerechtelijke incasso: effectief, mits duidelijke grenzen worden gesteld
Als een schuldenaar de vordering niet vrijwillig betaalt, kan een buitengerechtelijk incassotraject uitkomst bieden. Dit traject is bedoeld om betaling te verkrijgen zonder tussenkomst van de rechter. Dat werkt echter alleen wanneer vooraf duidelijke grenzen worden gesteld.

In veel dossiers ontbreekt een concreet escalatiemoment, worden betalingsregelingen niet juridisch correct vastgelegd of onvoldoende gemonitord en blijft het traject door sudderen zonder consequenties. Het gevolg is dat het gerechtelijke incassotraject en eventueel beslaglegging uiteindelijk alsnog nodig zijn, maar dan met een minder sterk dossier. Uiteraard is het hierbij van belang om bedongen zekerheden tijdig in stelling te brengen en daadwerkelijk uit te winnen.

Op tijd overschakelen naar gerechtelijke incasso
Het is belangrijk om een duidelijk beleid te hebben en daar ook naar te handelen. Met een sterk dossier kan dan tijdig een procedure aanhangig worden gemaakt, bijvoorbeeld via een bodemprocedure, kort geding of beslagleggingsprocedure. Wij zien echter dat deze stappen vaak pas worden gezet wanneer de achterstand al fors is opgelopen en de kans op verhaal is afgenomen.

Voor woningcorporaties en vastgoedbeheerders is dit extra relevant. De Wet goed verhuurderschap beschermt huurders tegen misstanden zoals discriminatie. Daarnaast zijn verhuurders verplicht om een huurachterstand te melden bij de gemeente, mits de huurder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verstrekken van zijn of haar persoonsgegevens. Wanneer dit niet gebeurt, kan dit gevolgen hebben voor de beoordeling van een ontbindingsverzoek. Dan is al het werk aan een zorgvuldig en goed dossier mogelijk voor niets geweest.

Praktische tips voor het behouden van regie

  • Stel vooraf vast hoelang het buitengerechtelijke traject duurt en wanneer wordt doorgeschakeld;
  • Leg betalingsregelingen schriftelijk en juridisch correct vast en monitor deze actief;
  • Zorg voor een volledig dossier (overeenkomst, aanmaningen, correspondentie en zekerheden);
  • Bewaar het recht op kostenverhaal door wettelijk correct te starten; en
  • Overweeg tijdig het starten van een gerechtelijk incassotraject en beslaglegging als verhaal dreigt te verdwijnen.

Conclusie
Of het nu gaat om het innen van zakelijke vorderingen, achterstallige huur of het voeren van procedures: correcte dossieropbouw en timing zijn cruciaal. Een helder incassobeleid, duidelijke escalatiemomenten en actieve monitoring voorkomen dat vorderingen onnodig blijven liggen en uiteindelijk onbetaald blijven. Wees daarom actief in je debiteurenbeheer en geef zaken tijdig uit handen wanneer het zelf niet lukt.

Certa Advocaten adviseert en procedeert regelmatig over incasso, betalingsregelingen en zekerheden. Wil je sparren over je incassobeleid (bijvoorbeeld het opstellen van een stroomschema) of over een concreet dossier waarin betaling uitblijft? Neem dan gerust contact op met Macy Weij, Fatima Imbouh of Seerp Gratama. Wij kijken graag (tijdig) met je mee.

Geplaatst in: Incasso, Opinie

2 februari 2026

Omdat je verder wilt

Faillissement Geesink Norba definitief afgerond

Eind 2023 sprak de rechtbank Midden-Nederland het faillissement uit van vuilniswagenfabrikant Geesink Norba Holding B.V. en vier gelieerde vennootschappen in Emmeloord. De groep had vestigingen in diverse Europese landen en ongeveer 400 medewerkers, waarvan 250 in Nederland.

Oorzaken van het faillissement
Het bedrijf kampte al jaren met financiële problemen door een verlieslatende exploitatie, gebrek aan centrale sturing en veel wisselingen in management en aandeelhouders.

De prijzen van de vuilniswagens waren te laag ten opzichte van de hoge productiekosten, waardoor te weinig marge kon worden gemaakt. Ook het intensieve gebruik van externe adviseurs zorgde voor hoge kosten.

Interne conflicten leidden vlak voor het faillissement nog tot een kostbare enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer.

Voortzetting en doorstart
De curator heeft de werkzaamheden tijdelijk voortgezet om het onderhanden werk af te ronden en activa te verkopen.

Diverse vuilniswagens konden nog worden afgebouwd en uitgeleverd aan klanten in binnen- en buitenland. Openstaande vorderingen op debiteuren konden grotendeels worden geïncasseerd.

Per 1 januari 2024 zijn de activiteiten en bedrijfsmiddelen van Geesink overgenomen door Haller Benelux B.V., onderdeel van het Duitse Zoeller Kipper, samen met het Spaanse bedrijf Palvi S.L.

Ook het bedrijfspand in Emmeloord en de Spaanse fabriek in Sevilla zijn bij de overname betrokken. Dankzij deze doorstart kon een groot deel van het personeel aan het werk blijven.

Crediteurenakkoord en afwikkeling
Na de verificatievergaderingen in december 2024 en juni 2025 ontvingen alle crediteuren volledige betaling als onderdeel van een aangeboden crediteurenakkoord.

Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat de aandeelhouders van Geesink bereid waren een aanzienlijke vordering bij het crediteurenakkoord buiten beschouwing te laten.

Hierdoor konden alle crediteuren volledig worden voldaan. Eind 2025 heeft de rechtbank het eindverslag goedgekeurd en is het faillissement definitief afgerond.

Seerp Gratama, voormalig curator

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

11 december 2025

Omdat je verder wilt

Belangen van het kind bij ontruiming: Hoge Raad geeft handvatten

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 prejudiciële vragen beantwoord over de rol van artikel 3 IVRK bij vorderingen tot ontruiming van woningen waar ook minderjarige kinderen in wonen. Art. 3 lid 1 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In de praktijk bestond geen eenduidige lijn over hoe zwaar de belangen van het kind moeten wegen bij ontbinding en ontruiming van woonruimte. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft daarom negen prejudiciële vragen gesteld, die met name betrekking hebben op de betekenis van ‘de eerste overweging’, de onderzoeksplicht van de rechter en de vraag of voorwaarden aan een ontruiming kunnen worden verbonden.

Prejudiciële vragen en overwegingen van de Hoge raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de belangen van het kind volgens art. 3 lid 1 IVRK  ‘de eerste overweging’ moeten vormen, maar niet doorslaggevend zijn. Dat betekent niet dat, als het belang van de kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering altijd moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
De rechter moet de belangen van het kind expliciet meewegen naast factoren als (i) de beschikbaarheid van alternatieve huisvesting, (ii) de ernst van de tekortkoming van de huurder en (iii) het belang van de verhuurder.

De rechter dient (eventueel ambtshalve) te onderzoeken of kinderen bij de ontruiming zijn betrokken en welke gevolgen de ontruiming voor hen heeft. De rechter is hierbij wel afhankelijk van de informatie die partijen verstrekken; het is niet zijn taak om contact te leggen met gemeentes en hulpverleningsinstanties.

De Hoge Raad maakt ook duidelijk dat de rechter de ontruiming kan afstemmen op de omstandigheden van het geval door bijvoorbeeld een langere ontruimingstermijn te geven of de uitspraak aan te houden om het zoeken naar alternatieve huisvesting te faciliteren. De Hoge Raad benadrukt daarbij dat het zorgen voor opvang niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort.

Conclusie
De belangen van het kind moeten bij de beoordeling van de rechter als “eerste overweging” in aanmerking worden genomen, maar blijven onderdeel van een bredere belangenafweging waarin ook de belangen van verhuurder en omwonenden een rol spelen. De rechter moet daarbij actief onderzoeken wat de gevolgen van een ontruiming zijn, zonder de procesrechtelijke grenzen te overschrijden. Omdat de uitkomst van de belangenafweging per ontruimingszaak steeds afhangt van alle omstandigheden van het geval, neemt de voorspelbaarheid daarvan met deze uitspraak niet toe. Van een duidelijke lijn is vooralsnog geen sprake.

Lees de uitspraak van de Hoge Raad hier: ECLI:NL:HR:2025:1799, Hoge Raad, 24/04220

Vragen over de rol van art. 3 IVRK bij ontruimingsvorderingen?
Neem contact op met Juliette Soomers 

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

8 december 2025

Omdat je verder wilt

Wanneer is te laat niet écht te laat? Een verschuiving in het bestuursrecht

Het bestuursrecht kent strikte termijnen. De vraag wanneer te late bezwaren toch moeten worden geaccepteerd, wordt echter relevanter. In de uitspraak van 12 november 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) speelden medische en psychische problemen en geringe verwijtbaarheid een grote rol. Lees hieronder wat de Afdeling oordeelde en wat de gevolgen voor de praktijk zijn.

Zaak
De betrokkene vroeg op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen om overname van haar private schulden. De minister van Financiën (hierna: “Minister”) wees dit in juni 2022 af. De bezwaartermijn liep tot 8 augustus 2022, maar zij maakte pas op 22 februari 2023 bezwaar. De Minister verklaarde dit bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet “verschoonbaar” was, omdat geen medische stukken bewezen dat zij zelf of via een ander geen bezwaar kon maken.

Verschoonbare termijnoverschrijding
Een bezwaar- of beroepschrift moet normaal binnen zes weken worden ingediend. Dit mag meestal ook pro forma, waarna de indiener later de redenen kan aanvullen. Bij te late indiening wordt het bezwaar of beroep doorgaans niet-ontvankelijk verklaard. Alleen wanneer er een geldige en overtuigende reden is waarom het stuk niet eerder kon worden ingediend, wordt een termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ geacht. Vanwege het belang van rechtszekerheid wordt zo’n uitzondering veelal niet snel aangenomen.

Verschoonbare termijnoverschrijding – de rechtspraak in beweging
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: “CBb”) oordeelde op 30 januari 2024 in vier uitspraken dat ruimer kan worden omgegaan met te late bezwaar- of beroepschriften. Volgens het CBb moet meer oog zijn voor bijzondere omstandigheden en per geval worden gekeken wat redelijk is. Ook de belangen van andere partijen spelen mee. Als derden nauwelijks nadeel ondervinden, is er meer ruimte om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bijzondere omstandigheden kunnen extern maar ook persoonlijk zijn, zoals psychische problemen, ernstige ziekte of een ongeval. Ook wanneer iemand in mindere mate verwijtbaar heeft gehandeld, kan dat aanleiding zijn voor verschoonbaarheid. Wel moet het bezwaar- of beroepschrift alsnog zo snel mogelijk worden ingediend zodra dit redelijkerwijs kan.

Geringe verwijtbaarheid
De Afdeling oordeelt in deze zaak dat het te laat ingediende bezwaar toch ontvankelijk is. Volgens de Afdeling is sprake van een samenloop van bijzondere omstandigheden, vooral van medische en psychische aard, waardoor de termijnoverschrijding de betrokkene niet kon worden toegerekend. Haar partner kon haar bovendien niet helpen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. De Afdeling acht aannemelijk dat de vrouw direct rechtshulp heeft gezocht zodra zij daartoe weer in staat was, waardoor de verwijtbaarheid gering is. Er zijn geen belangen van de Minister of derden die aan verschoonbaarheid in de weg staan. Ook heeft haar advocaat zo snel mogelijk bezwaar gemaakt na kennisname van het weigeringsbesluit. De Minister moet het bezwaar daarom alsnog inhoudelijk behandelen.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat er meer ruimte kan zijn om een te laat bezwaar toch verschoonbaar te achten. De zaak wordt dan toch inhoudelijk behandeld. Dit blijft echter altijd afhankelijk van de concrete omstandigheden, die goed moeten worden onderbouwd. Bestuursorganen doen er daarom goed aan zorgvuldig te beoordelen of een late indiening in het licht van de omstandigheden toch verschoonbaar is.

Speelt termijnoverschrijding en heb je vragen over bezwaar en beroep? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 november 2025

Omdat je verder wilt

Wijziging van het thuiswerkbeleid: aandachtspunten voor jou als werkgever en ondernemingsraad

Je krijgt als werkgever of ondernemingsraad steeds vaker te maken met de vraag: kan het thuiswerkbeleid worden aangepast, en zo ja, onder welke voorwaarden? Dit artikel belicht de belangrijkste aandachtspunten voor veranderingen op dit gebied.

Thuiswerkregeling: wanneer wordt het een arbeidsvoorwaarde?
Thuiswerken is in veel organisaties tijdens de coronaperiode en daarna structureel ingevoerd. In de praktijk wordt thuiswerken regelmatig een arbeidsvoorwaarde, bijvoorbeeld na lange tijd structureel thuiswerken of als afspraken schriftelijk zijn vastgelegd. Dit betekent dat jij dit recht niet zomaar kunt intrekken: thuiswerken kan een verworven recht worden.

Wijzigen van het thuiswerkbeleid
Het wijzigen van arbeidsvoorwaarden – zoals het afbouwen van thuiswerken – kun je niet eenzijdig opleggen, tenzij sprake is van een zwaarwegend bedrijfsbelang en/of een contractueel wijzigingsbeding. Ook dan geldt een dubbele redelijkheidstoets: jouw voorstel moet redelijk zijn én aanvaarding door de werknemer mag niet onredelijk zijn. Zonder expliciete instemming van de werknemer is een wijziging juridisch vaak lastig af te dwingen. Jurisprudentie toont aan dat rechters streng toetsen of het bedrijfsbelang voldoende zwaarwegend is en zorgvuldig kijken naar de belangen van de werknemer.

De rol van de ondernemingsraad
Verandering van het thuiswerkbeleid valt onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad (artikel 27 WOR), omdat het beleid op arbeidsomstandigheden ziet – denk aan werkdruk, werk-privébalans en psychosociale arbeidsbelasting. Je moet bij het aanpassen van beleid dus altijd eerst instemming van de ondernemingsraad vragen. Pas als de ondernemingsraad instemt, kan het beleid formeel worden gewijzigd, maar ook dan kan een individuele werknemer bescherming behouden op basis van verworven rechten.

Praktische tips

  • Breng het bestaande beleid en de praktijk rondom thuiswerken goed in kaart.
  • Check of afspraken over thuiswerken schriftelijk zijn vastgelegd of door de tijd heen een “verworven recht” zijn geworden.
  • Overweeg of de voorgenomen wijziging zodanig zwaarwegend is dat deze juridisch te onderbouwen valt.
  • Betrek de ondernemingsraad tijdig en zorg voor een transparant wijzigingsproces.
  • Faciliteer hybride werkplekken en zorg dat de werkplek – thuis én op kantoor – voldoet aan alle Arbo-eisen.
  • Communiceer duidelijk met medewerkers over de gevolgen van een wijziging en vraag waar nodig expliciete instemming.

Heb jij als werkgever of ondernemingsraad vragen over het thuiswerkbeleid of wil je advies over de juridische mogelijkheden? Wij ondersteunen je graag.
Serena Bank en Barbara Veldmaat

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 6
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV