• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Bestuursrecht

13 juli 2026

Omdat je verder wilt

Minder parkeren, meer wonen: de Afdeling geeft gemeenten ruimte

Wonen zonder parkeerplaats: wanneer is een parkeernorm van 0 mogelijk bij woningbouw?
De behoefte aan nieuwe woningen is groot. Tegelijkertijd is de beschikbare ruimte om parkeergelegenheid te realiseren in stedelijke gebieden beperkt. Bij binnenstedelijke woningbouw en vastgoedontwikkelingen ontstaat daardoor een spanningsveld tussen de wens om meer woningen te realiseren en de vraag waar toekomstige bewoners kunnen parkeren. Voor vastgoedeigenaren, projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers van woningbouwprojecten kan een hoge parkeereis de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een project onder druk zetten. Gemeenten kiezen daarom regelmatig voor een vraagsturend parkeerbeleid, waarbij niet volledig wordt voorzien in de parkeerbehoefte volgens de CROW-kentallen.

De uitspraak in het kort
In de uitspraak van 3 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3171) ging het over de transformatie van een voormalig kantoorgebouw naar een woongebouw met 420 woningen in Leiden. Daarnaast voorziet het plan in commerciële voorzieningen. In het bestemmingsplan werd de parkeernorm voor toekomstige bewoners op 0 gesteld. Bezoekers van bewoners en bezoekers en werknemers van de commerciële functies moesten wel gebruik kunnen maken van de bestaande parkeergarage. Bewoners van de naastgelegen wijk vrezen dat zij parkeeroverlast zullen ervaren. Het college zou volgens hen onvoldoende hebben gemotiveerd dat het op 0 stellen van de parkeernorm niet tot onevenredige parkeerhinder in de naastgelegen wijk zal leiden.

De Afdeling volgt dit betoog niet. Daarbij acht zij onder andere van belang dat het plangebied binnen een betaald parkeergebied ligt, goed bereikbaar is met het openbaar vervoer en de fiets en toekomstige bewoners geen bewoners- of parkeervergunning kunnen krijgen. Daarnaast weegt mee dat de gemeente de parkeerdruk blijft monitoren en zo nodig aanvullende maatregelen kan nemen als de parkeerdruk te hoog wordt. Uit de uitspraak volgt dat een parkeernorm van 0 niet onmogelijk is, mits dit goed wordt onderbouwd. De Afdeling kijkt bij de beoordeling vooral of de keuze voor een lagere parkeernorm voldoende is ingebed in het ruimtelijke beleid, mobiliteitsbeleid en de specifieke omstandigheden van het gebied.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Voor vastgoedeigenaren en projectontwikkelaars biedt deze uitspraak kansen. Een parkeernorm van 0 kan bijdragen aan de haalbaarheid van binnenstedelijke woningbouw, transformatieprojecten en andere vastgoedontwikkelingen. Tegelijkertijd vraagt dit om een zorgvuldige voorbereiding en onderbouwing.

In de praktijk is het belangrijk om al in een vroeg stadium een parkeerstrategie op te stellen. Daarbij moet goed worden onderbouwd dat het project niet leidt tot onevenredige parkeerhinder in de omliggende wijken. Ook blijft van belang dat de gekozen parkeernorm aansluit bij het parkeer- en mobiliteitsbeleid van de gemeente en de kenmerken van de locatie. Zo kan het op 0 zetten van de parkeernorm een bruikbaar instrument zijn om woningbouw en binnenstedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

Neem contact met Werner of Roza op voor een summer check of de parkeernorm op 0 kan worden gezet voor jouw project.

Geplaatst in: Bestuursrecht

12 mei 2026

Omdat je verder wilt

Bestuurlijke handhaving doorgezet ondanks legaliseringsperspectief

Inleiding
In vergunningstrajecten loopt de praktijk regelmatig voor op de formele besluitvorming. Activiteiten worden aangepast of uitgebreid, terwijl de benodigde omgevingsvergunning nog niet is verleend. Vaak wordt daarbij aangenomen dat concreet zicht op legalisering voldoende is om handhaving te voorkomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) laat echter al jaren zien dat dit geen vaste regel is. De uitspraak van 15 april 2026 bevestigt dat óók tijdens de behandeling van een kansrijke vergunningaanvraag handhavend kan worden opgetreden. Zorg ervoor dat je vooraf in kaart hebt gebracht welke vergunningen je nodig hebt en dat je deze hebt verkregen.

De uitspraak in het kort
In de uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2081) oordeelt de Afdeling over handhavend optreden tegen een eendenslachterij waarvan de bedrijfsactiviteiten zonder vergunning waren uitgebreid. Een omwonende had het college om optreden verzocht vanwege overlast. Voor een deel van de activiteiten was een vergunningaanvraag ter legalisering ingediend, zodat in zoverre concreet zicht op legalisering bestond. Dat was volgens de Afdeling echter geen reden om van handhaving af te zien. Het college mocht vasthouden aan de geldende vergunningen en lasten onder dwangsom opleggen, onder meer vanwege de duur van de overtredingen en het ontbreken van zicht op volledige legalisering.

De lijn van de Afdeling
De uitspraak sluit aan bij de koers die zij eerder heeft ingezet. Concreet zicht op legalisering is sindsdien één van de omstandigheden die wordt betrokken. Ook hier staat voorop of handhavend optreden, gezien de omstandigheden van het geval, redelijk en gerechtvaardigd is. Daarbij spelen onder meer de duur van de overtreding, de mate waarin de beoogde vergunningverlening zeker en volledig is, en de gevolgen voor de omgeving een rol.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Concreet zicht op legalisering biedt geen garantie tegen handhaving. Zolang een omgevingsvergunning ontbreekt, mag het bevoegd gezag vasthouden aan de bestaande, vergunde situatie en handhavend optreden. Voor de praktijk is dit een goede herinnering dat het vooruitlopen op vergunningverlening een risico blijft dat bewust moet worden afgewogen. De uitspraak van 15 april 2026 laat zien hoe dat risico (nadelig) kan uitpakken. Wij brengen graag in kaart welke vergunningen je nodig hebt bij jouw activiteiten, begeleiden jou bij de aanvraag of vechten de weigering aan. Komt het tot handhaving? Dan staan wij jou graag in raad en daad bij. Neem contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht

28 maart 2026

Omdat je verder wilt

Hittebestendig bouwen en de grenzen van de huidige bouwregelgeving

Voor het vakblad Bouwen met Kwaliteit (PONT) schreven onze kantoorgenoten Werner en Roza samen met Saskia Hegeman, Theo Haytink en Johan Kaspers van Nieman Raadgevende Ingenieurs, een verdiepend artikel over zomercomfort en hittebestendig bouwen.

In het artikel wordt duidelijk dat de huidige bouwregelgeving op meerdere punten kwetsbaar is. Zo sluiten gebruikte klimaatdata onvoldoende aan op toekomstige omstandigheden, ontbreken specifieke regels voor bestaande bouw en botsen hittemaatregelen in de praktijk regelmatig met andere eisen, zoals daglichttoetreding en beeldkwaliteit.

De bijdrage brengt regelgeving, technische inzichten en juridische vraagstukken samen en laat zien waarom integrale samenwerking tussen disciplines essentieel is om gebouwen toekomstbestendig te ontwerpen en risico’s in het bouwproces te beperken.

Het volledige artikel is hieronder te lezen.

.

Geplaatst in: Bestuursrecht

15 januari 2026

Omdat je verder wilt

Mag een derde-belanghebbende een bestuurlijke boete aanvechten? De tijd zal het leren.

Inleiding
Bij bestuurlijke boetes komt de overtreder rechtsbescherming toe. De vraag of een derde als belanghebbende daartegen kan optreden is al een lange tijd onduidelijk. In een conclusie van 10 december 2025 geeft staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven richting aan deze discussie. Hieronder lees je kort waar het vraagstuk om draait en wat het mogelijk voor de handhavingsprakrijk voor bestuursorganen zal betekenen.

De zaak in het kort
FNV verstrekt informatie aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over mogelijke overtredingen van Europese rij- en rusttijdenregels door een Litouwse transportonderneming. De ILT heeft deze informatie meegenomen bij haar eigen onderzoek en legde uiteindelijk een bestuurlijke boete op.

FNV verzocht om als derdebelanghebbende te worden aangemerkt in de boeteprocedure en wilde bezwaar kunnen maken tegen het boetebesluit. De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees dit verzoek af, omdat het bestraffende karakter geen ruimte voor derden biedt. De rechtbank Midden-Nederland volgde dat standpunt.

In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vroeg de voorzitter om een conclusie over de principiële vraag of een derde belanghebbende kan zijn bij een besluit tot oplegging of weigering van een bestuurlijke boete?.

Juridisch kader
Het belanghebbende begrip staat hier centraal: “Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, kan bezwaar en beroep instellen.”

Bestuurlijke boetes hebben een bijzonder karakter. Zij zijn bestraffend van aard en kwalificeren als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Dat brengt extra waarborgen met zich voor de overtreder. Te denken valt aan het recht op een eerlijk proces. De vraag is of dit punitieve karakter zich verzet tegen deelname van derden aan de procedure.

Overwegingen conclusie
Volgens Widdershoven bestaat er kort gezegd geen principiële uitsluiting van derden bij bestuurlijke boetes. Het feit dat een boete bestraffend is, betekent niet automatisch dat niemand anders dan de overtreder belanghebbende kan zijn. Doorslaggevend blijft of wordt voldaan aan de wettelijke criteria van het belanghebbende-begrip.

Maar daarbij is een belangrijk onderscheid. Een derde kan in ieder geval belanghebbende zijn bij een besluit om geen boete op te leggen, wanneer dat besluit is genomen naar aanleiding van een handhavingsverzoek van die derde. In zo’n situatie kan het uitblijven van sanctionering gevolgen hebben voor de naleving van de norm in de toekomst.

Ook bij de oplegging van een boete kan onder omstandigheden sprake zijn van een derde-belanghebbende. Dat is met name het geval wanneer de boete het directe gevolg is van een handhavingsverzoek en een derde een eigen, persoonlijk of collectief belang heeft dat rechtstreeks door het boetebesluit wordt geraakt.

Voor belangenorganisaties geldt bovendien dat hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden voldoende specifiek moeten zijn gericht op het belang dat door het boetebesluit wordt geraakt.

Widdershoven benadrukt dat terughoudendheid geboden is. De processuele rechten van de overtreder moeten worden beschermd. Denk daarbij aan de vertrouwelijkheid van stukken en het beginsel van ‘equality of arms’.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
De conclusie is een belangrijk advies aan de Afdeling. Niet het punitieve karakter van de bestuurlijke boete is beslissend, maar de vraag of een derde voldoet aan de eisen van het belanghebbende-begrip. Als de Afdeling bestuursrechtspraak deze lijn volgt, ontstaat meer ruimte voor de rechtsbescherming van derden in handhavingszaken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de fundamentele waarborgen voor de overtreder.

Voor de praktijk zou dit kunnen gaan betekenen dat het bestuursorgaan niet langer zonder meer kan volstaan met het standpunt dat bij boetes geen derde-belanghebbende bestaan. Met name bij boetes die volgen op handhavingsverzoeken van belangenorganisaties zal zorgvuldiger moeten worden beoordeeld of er sprake is van een rechtstreeks betrokken belang. Het is nu aan de Afdeling om hierover een definitief oordeel te vellen. Wij houden je op de hoogte. Vragen over handhaving? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 januari 2026

Omdat je verder wilt

Pied-à-terre-regeling in Amsterdam: wat verandert er in 2026 voor de tweede woning?

Inleiding
De gemeente Amsterdam voert per 2026 een regeling in voor het gebruik van woonruimte als tweede woning. Beter bekend als de pied-à-terre regeling. Met deze wijziging beoogt de gemeente de schaarse woningvoorraad beter te beschermen en het structureel gebruik van woningen als tweede verblijf verder te beperken. De nieuwe regeling heeft verstrekkende gevolgen voor huidige en toekomstige eigenaren en gebruikers van een pied-à-terre in Amsterdam. In dit artikel lees je kort wat de nieuwe regels inhouden, welke voorwaarden gelden en voor wie het overgangsrecht van toepassing is.

Achtergrond en doel van de regeling
De gemeenteraad van Amsterdam heeft ervoor gekozen het gebruik van een woning als tweede woning expliciet aan te merken als een vorm van onttrekking van woonruimte. Daarmee wordt het pied-à-terre niet langer gezien als een randverschijnsel, maar als een reguleringswaardig gebruik dat direct raakt aan de beschikbaarheid van woonruimte voor reguliere bewoners.

Nieuw vergunningsstelsel voor tweede woningen
Een vergunning kan uitsluitend worden verleend indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de woning geen deel uitmaken van de sociale huurvoorraad of de middeldure huurvoorraad. Daarnaast moet de aanvrager zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam hebben en mag hij of zij niet beschikken over meer dan één tweede woning binnen de gemeente.

Het vereiste van noodzaak
Zelfs wanneer aan alle algemene voorwaarden is voldaan, wordt een vergunning alleen verleend als de aanvrager binnen één van de opgesomde categorieën valt. Eén voorbeeld hiervan is dat de aanvrager in Amsterdam werkt en daarvoor minimaal twee nachten per week gedurende ten minste zes maanden in de stad verblijft.

Wie niet onder één van deze categorieën valt, komt niet aanmerking voor een vergunning, ongeacht persoonlijke omstandigheden of de mate waarin de woning feitelijk wordt gebruikt.

Duur en karakter van de vergunning
De vergunning voor het gebruik als tweede woning wordt verleend voor maximaal drie jaar. Aan de vergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder het verbod om de woning te verhuren of door derden te laten gebruiken.

Overgangsrecht: bescherming van bestaande situaties
Voor personen die hun woning reeds in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 als tweede woning gebruikten en die voldoen aan de voorwaarden is een overgangsregeling.

Conclusie en gevolgen praktijk
Met de nieuwe pied-à-terre-regeling kiest de gemeente Amsterdam nadrukkelijk voor een restrictief beleid. Het gebruik van een tweede woning wordt vanaf 2026 de uitzondering in plaats van de regel en is alleen toegestaan bij noodzaak. Met name het limitatieve karakter van de noodzaakcriteria en het persoonsgebonden karakter van de vergunning maken dat veel bestaande en potentiële pied-à-terre-eigenaren hun positie opnieuw zullen moeten beoordelen.

Valt u als eigenaar of gebruiker van een tweede woning in Amsterdam onder het overgangsrecht, en kunt u op lange termijn aan de nieuwe voorwaarden blijven voldoen? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

8 december 2025

Omdat je verder wilt

Wanneer is te laat niet écht te laat? Een verschuiving in het bestuursrecht

Het bestuursrecht kent strikte termijnen. De vraag wanneer te late bezwaren toch moeten worden geaccepteerd, wordt echter relevanter. In de uitspraak van 12 november 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) speelden medische en psychische problemen en geringe verwijtbaarheid een grote rol. Lees hieronder wat de Afdeling oordeelde en wat de gevolgen voor de praktijk zijn.

Zaak
De betrokkene vroeg op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen om overname van haar private schulden. De minister van Financiën (hierna: “Minister”) wees dit in juni 2022 af. De bezwaartermijn liep tot 8 augustus 2022, maar zij maakte pas op 22 februari 2023 bezwaar. De Minister verklaarde dit bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet “verschoonbaar” was, omdat geen medische stukken bewezen dat zij zelf of via een ander geen bezwaar kon maken.

Verschoonbare termijnoverschrijding
Een bezwaar- of beroepschrift moet normaal binnen zes weken worden ingediend. Dit mag meestal ook pro forma, waarna de indiener later de redenen kan aanvullen. Bij te late indiening wordt het bezwaar of beroep doorgaans niet-ontvankelijk verklaard. Alleen wanneer er een geldige en overtuigende reden is waarom het stuk niet eerder kon worden ingediend, wordt een termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ geacht. Vanwege het belang van rechtszekerheid wordt zo’n uitzondering veelal niet snel aangenomen.

Verschoonbare termijnoverschrijding – de rechtspraak in beweging
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: “CBb”) oordeelde op 30 januari 2024 in vier uitspraken dat ruimer kan worden omgegaan met te late bezwaar- of beroepschriften. Volgens het CBb moet meer oog zijn voor bijzondere omstandigheden en per geval worden gekeken wat redelijk is. Ook de belangen van andere partijen spelen mee. Als derden nauwelijks nadeel ondervinden, is er meer ruimte om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bijzondere omstandigheden kunnen extern maar ook persoonlijk zijn, zoals psychische problemen, ernstige ziekte of een ongeval. Ook wanneer iemand in mindere mate verwijtbaar heeft gehandeld, kan dat aanleiding zijn voor verschoonbaarheid. Wel moet het bezwaar- of beroepschrift alsnog zo snel mogelijk worden ingediend zodra dit redelijkerwijs kan.

Geringe verwijtbaarheid
De Afdeling oordeelt in deze zaak dat het te laat ingediende bezwaar toch ontvankelijk is. Volgens de Afdeling is sprake van een samenloop van bijzondere omstandigheden, vooral van medische en psychische aard, waardoor de termijnoverschrijding de betrokkene niet kon worden toegerekend. Haar partner kon haar bovendien niet helpen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. De Afdeling acht aannemelijk dat de vrouw direct rechtshulp heeft gezocht zodra zij daartoe weer in staat was, waardoor de verwijtbaarheid gering is. Er zijn geen belangen van de Minister of derden die aan verschoonbaarheid in de weg staan. Ook heeft haar advocaat zo snel mogelijk bezwaar gemaakt na kennisname van het weigeringsbesluit. De Minister moet het bezwaar daarom alsnog inhoudelijk behandelen.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat er meer ruimte kan zijn om een te laat bezwaar toch verschoonbaar te achten. De zaak wordt dan toch inhoudelijk behandeld. Dit blijft echter altijd afhankelijk van de concrete omstandigheden, die goed moeten worden onderbouwd. Bestuursorganen doen er daarom goed aan zorgvuldig te beoordelen of een late indiening in het licht van de omstandigheden toch verschoonbaar is.

Speelt termijnoverschrijding en heb je vragen over bezwaar en beroep? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 7
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV