• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Bestuursrecht

14 september 2026

Omdat je verder wilt

Schade door een onrechtmatig overheidsbesluit: wanneer is schadevergoeding mogelijk?

Een onrechtmatig besluit van een gemeente, provincie of ander bestuursorgaan kan grote gevolgen hebben. Denk aan een ten onrechte geweigerde omgevingsvergunning, een vernietigd handhavingsbesluit of een ingetrokken vergunning die een project vertraagt. De financiële schade kan aanzienlijk zijn. Maar wanneer draait de overheid daarvoor op? In dit artikel bespreken wij wanneer een schadeclaim mogelijk is en welke obstakels daarbij een rol spelen.

Wanneer is sprake van een onrechtmatig overheidsbesluit?
De regels over aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen zijn opgenomen in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Deze regels gelden ook voor de overheid. Voor een succesvolle schadeclaim moet sprake zijn van een onrechtmatig besluit dat aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Daarnaast moet de geschonden norm strekken tot bescherming van het getroffen belang (relativiteitsvereiste), moet causaal verband bestaan tussen het besluit en de schade en moet daadwerkelijk schade zijn geleden.

Besluitaansprakelijkheid begint met een onrechtmatig besluit. Daarvan is in ieder geval sprake als de bestuursrechter een besluit vernietigt na bezwaar en beroep. De onrechtmatigheid en toerekenbaarheid staan dan in beginsel vast. Ook een bestuursorgaan kan een besluit intrekken of herroepen. Daaruit volgt niet automatisch dat het besluit onrechtmatig was. Doorslaggevend zijn de redenen daarvoor.

Formele rechtskracht: wanneer strandt een schadeclaim?
Een belangrijk begrip binnen de besluitaansprakelijkheid is de formele rechtskracht van een besluit. Heeft bezwaar en beroep niet geleid tot vernietiging of herroeping? Of is geen gebruik gemaakt van deze rechtsmiddelen? Dan moet de rechter er in beginsel van uitgaan dat het besluit rechtmatig is. Dit is een belangrijk aandachtspunt. Wie een besluit onherroepelijk laat worden, loopt het risico dat een latere schadeclaim daarop afstuit. Tijdig bezwaar en beroep instellen is daarom vaak essentieel.

Relativiteit: beschermt de geschonden norm uw belang?
Een onrechtmatig besluit leidt niet automatisch tot aansprakelijkheid. De geschonden norm moet strekken tot bescherming van het getroffen belang. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd. De rechter kijkt daarbij naar het doel en de strekking van de norm. Bij vergunningaanvragers en andere directe geadresseerden levert dit vereiste doorgaans weinig problemen op. Dat ligt minder voor de hand bij derden die slechts indirect door een onrechtmatig besluit worden geraakt.

Causaal verband bij schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit
Een ander belangrijk discussiepunt is het causaal verband. Het enkele feit dat een besluit onrechtmatig is, betekent niet dat alle schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechter onderzoekt of ook een rechtmatig besluit tot dezelfde schade zou hebben geleid. Is dat het geval, dan ontbreekt het vereiste causale verband en hoeft het bestuursorgaan de schade niet te vergoeden.

Welke schade kan op de overheid worden verhaald?
Het Burgerlijk Wetboek onderscheidt vermogensschade en ander nadeel. Veelal gaat het om vermogensschade, zoals projectvertraging, extra advieskosten, hogere financieringslasten, gemiste inkomsten of waardevermindering. De schade wordt begroot door de werkelijke situatie te vergelijken met de situatie die zonder het onrechtmatige besluit zou hebben bestaan.

Bestuursrechter of civiele rechter?
Voor schadeclaims wegens onrechtmatige besluiten kunnen zowel de bestuursrechter als de civiele rechter een rol spelen. Uitgangspunt is dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:89 Algemene wet bestuursrecht bevoegd is om schadeclaims wegens onrechtmatige besluiten te beoordelen. Bij schadeclaims tot € 25.000 bestaat in beginsel keuzevrijheid tussen beide rechters. Bij hogere schadeclaims is uitsluitend de civiele rechter bevoegd. Een verzoeker kan in dat geval ook zijn vordering beperken tot € 25.000 om eerst gebruik te maken van de bestuursrechtelijke procedure. De civiele rechter is voor het bedrag daarboven niet gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter. Wel geldt dat de bestuursrechter niet langer bevoegd is zodra de zaak bij de civiele rechter aanhangig is gemaakt. Wisselen van spoor is dan niet meer mogelijk.

Welke route het meest geschikt is, hangt af van de omstandigheden van het geval. De bestuursrechtelijke procedure is doorgaans laagdrempeliger en goedkoper. De civiele procedure biedt daarentegen meer mogelijkheden om een vordering op maat in te richten, bijvoorbeeld bij complexe of omvangrijke geschillen.

Conclusie
Een onrechtmatig besluit kan leiden tot aanzienlijke financiële schade. Toch leidt niet ieder vernietigd of herroepen besluit automatisch tot aansprakelijkheid van de overheid. Voor een succesvolle schadeclaim moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan, zoals het tijdig inzetten van rechtsmiddelen en het kunnen aantonen van de schade. Daarom is het belangrijk om al tijdens bezwaar- en beroepsprocedures oog te hebben voor de mogelijke schade en de bewijspositie. Ook de keuze tussen de bestuursrechter en de civiele rechter kan van invloed zijn op de wijze waarop schade het beste kan worden verhaald. Wie daar tijdig op anticipeert, vergroot de kans op een succesvolle schadeclaim.

Heb je te maken met schade als gevolg van een vernietigd, herroepen of onrechtmatig overheidsbesluit? Of wil je weten of een schadeclaim kansrijk is? Neem dan contact met ons op. Certa helpt je graag verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht

13 juli 2026

Omdat je verder wilt

Minder parkeren, meer wonen: de Afdeling geeft gemeenten ruimte

Wonen zonder parkeerplaats: wanneer is een parkeernorm van 0 mogelijk bij woningbouw?
De behoefte aan nieuwe woningen is groot. Tegelijkertijd is de beschikbare ruimte om parkeergelegenheid te realiseren in stedelijke gebieden beperkt. Bij binnenstedelijke woningbouw en vastgoedontwikkelingen ontstaat daardoor een spanningsveld tussen de wens om meer woningen te realiseren en de vraag waar toekomstige bewoners kunnen parkeren. Voor vastgoedeigenaren, projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers van woningbouwprojecten kan een hoge parkeereis de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een project onder druk zetten. Gemeenten kiezen daarom regelmatig voor een vraagsturend parkeerbeleid, waarbij niet volledig wordt voorzien in de parkeerbehoefte volgens de CROW-kentallen.

De uitspraak in het kort
In de uitspraak van 3 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3171) ging het over de transformatie van een voormalig kantoorgebouw naar een woongebouw met 420 woningen in Leiden. Daarnaast voorziet het plan in commerciële voorzieningen. In het bestemmingsplan werd de parkeernorm voor toekomstige bewoners op 0 gesteld. Bezoekers van bewoners en bezoekers en werknemers van de commerciële functies moesten wel gebruik kunnen maken van de bestaande parkeergarage. Bewoners van de naastgelegen wijk vrezen dat zij parkeeroverlast zullen ervaren. Het college zou volgens hen onvoldoende hebben gemotiveerd dat het op 0 stellen van de parkeernorm niet tot onevenredige parkeerhinder in de naastgelegen wijk zal leiden.

De Afdeling volgt dit betoog niet. Daarbij acht zij onder andere van belang dat het plangebied binnen een betaald parkeergebied ligt, goed bereikbaar is met het openbaar vervoer en de fiets en toekomstige bewoners geen bewoners- of parkeervergunning kunnen krijgen. Daarnaast weegt mee dat de gemeente de parkeerdruk blijft monitoren en zo nodig aanvullende maatregelen kan nemen als de parkeerdruk te hoog wordt. Uit de uitspraak volgt dat een parkeernorm van 0 niet onmogelijk is, mits dit goed wordt onderbouwd. De Afdeling kijkt bij de beoordeling vooral of de keuze voor een lagere parkeernorm voldoende is ingebed in het ruimtelijke beleid, mobiliteitsbeleid en de specifieke omstandigheden van het gebied.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Voor vastgoedeigenaren en projectontwikkelaars biedt deze uitspraak kansen. Een parkeernorm van 0 kan bijdragen aan de haalbaarheid van binnenstedelijke woningbouw, transformatieprojecten en andere vastgoedontwikkelingen. Tegelijkertijd vraagt dit om een zorgvuldige voorbereiding en onderbouwing.

In de praktijk is het belangrijk om al in een vroeg stadium een parkeerstrategie op te stellen. Daarbij moet goed worden onderbouwd dat het project niet leidt tot onevenredige parkeerhinder in de omliggende wijken. Ook blijft van belang dat de gekozen parkeernorm aansluit bij het parkeer- en mobiliteitsbeleid van de gemeente en de kenmerken van de locatie. Zo kan het op 0 zetten van de parkeernorm een bruikbaar instrument zijn om woningbouw en binnenstedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

Neem contact met Werner of Roza op voor een summer check of de parkeernorm op 0 kan worden gezet voor jouw project.

Geplaatst in: Bestuursrecht

12 mei 2026

Omdat je verder wilt

Bestuurlijke handhaving doorgezet ondanks legaliseringsperspectief

Inleiding
In vergunningstrajecten loopt de praktijk regelmatig voor op de formele besluitvorming. Activiteiten worden aangepast of uitgebreid, terwijl de benodigde omgevingsvergunning nog niet is verleend. Vaak wordt daarbij aangenomen dat concreet zicht op legalisering voldoende is om handhaving te voorkomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) laat echter al jaren zien dat dit geen vaste regel is. De uitspraak van 15 april 2026 bevestigt dat óók tijdens de behandeling van een kansrijke vergunningaanvraag handhavend kan worden opgetreden. Zorg ervoor dat je vooraf in kaart hebt gebracht welke vergunningen je nodig hebt en dat je deze hebt verkregen.

De uitspraak in het kort
In de uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2081) oordeelt de Afdeling over handhavend optreden tegen een eendenslachterij waarvan de bedrijfsactiviteiten zonder vergunning waren uitgebreid. Een omwonende had het college om optreden verzocht vanwege overlast. Voor een deel van de activiteiten was een vergunningaanvraag ter legalisering ingediend, zodat in zoverre concreet zicht op legalisering bestond. Dat was volgens de Afdeling echter geen reden om van handhaving af te zien. Het college mocht vasthouden aan de geldende vergunningen en lasten onder dwangsom opleggen, onder meer vanwege de duur van de overtredingen en het ontbreken van zicht op volledige legalisering.

De lijn van de Afdeling
De uitspraak sluit aan bij de koers die zij eerder heeft ingezet. Concreet zicht op legalisering is sindsdien één van de omstandigheden die wordt betrokken. Ook hier staat voorop of handhavend optreden, gezien de omstandigheden van het geval, redelijk en gerechtvaardigd is. Daarbij spelen onder meer de duur van de overtreding, de mate waarin de beoogde vergunningverlening zeker en volledig is, en de gevolgen voor de omgeving een rol.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Concreet zicht op legalisering biedt geen garantie tegen handhaving. Zolang een omgevingsvergunning ontbreekt, mag het bevoegd gezag vasthouden aan de bestaande, vergunde situatie en handhavend optreden. Voor de praktijk is dit een goede herinnering dat het vooruitlopen op vergunningverlening een risico blijft dat bewust moet worden afgewogen. De uitspraak van 15 april 2026 laat zien hoe dat risico (nadelig) kan uitpakken. Wij brengen graag in kaart welke vergunningen je nodig hebt bij jouw activiteiten, begeleiden jou bij de aanvraag of vechten de weigering aan. Komt het tot handhaving? Dan staan wij jou graag in raad en daad bij. Neem contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht

28 maart 2026

Omdat je verder wilt

Hittebestendig bouwen en de grenzen van de huidige bouwregelgeving

Voor het vakblad Bouwen met Kwaliteit (PONT) schreven onze kantoorgenoten Werner en Roza samen met Saskia Hegeman, Theo Haytink en Johan Kaspers van Nieman Raadgevende Ingenieurs, een verdiepend artikel over zomercomfort en hittebestendig bouwen.

In het artikel wordt duidelijk dat de huidige bouwregelgeving op meerdere punten kwetsbaar is. Zo sluiten gebruikte klimaatdata onvoldoende aan op toekomstige omstandigheden, ontbreken specifieke regels voor bestaande bouw en botsen hittemaatregelen in de praktijk regelmatig met andere eisen, zoals daglichttoetreding en beeldkwaliteit.

De bijdrage brengt regelgeving, technische inzichten en juridische vraagstukken samen en laat zien waarom integrale samenwerking tussen disciplines essentieel is om gebouwen toekomstbestendig te ontwerpen en risico’s in het bouwproces te beperken.

Het volledige artikel is hieronder te lezen.

.

Geplaatst in: Bestuursrecht

15 januari 2026

Omdat je verder wilt

Mag een derde-belanghebbende een bestuurlijke boete aanvechten? De tijd zal het leren.

Inleiding
Bij bestuurlijke boetes komt de overtreder rechtsbescherming toe. De vraag of een derde als belanghebbende daartegen kan optreden is al een lange tijd onduidelijk. In een conclusie van 10 december 2025 geeft staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven richting aan deze discussie. Hieronder lees je kort waar het vraagstuk om draait en wat het mogelijk voor de handhavingsprakrijk voor bestuursorganen zal betekenen.

De zaak in het kort
FNV verstrekt informatie aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over mogelijke overtredingen van Europese rij- en rusttijdenregels door een Litouwse transportonderneming. De ILT heeft deze informatie meegenomen bij haar eigen onderzoek en legde uiteindelijk een bestuurlijke boete op.

FNV verzocht om als derdebelanghebbende te worden aangemerkt in de boeteprocedure en wilde bezwaar kunnen maken tegen het boetebesluit. De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees dit verzoek af, omdat het bestraffende karakter geen ruimte voor derden biedt. De rechtbank Midden-Nederland volgde dat standpunt.

In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vroeg de voorzitter om een conclusie over de principiële vraag of een derde belanghebbende kan zijn bij een besluit tot oplegging of weigering van een bestuurlijke boete?.

Juridisch kader
Het belanghebbende begrip staat hier centraal: “Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, kan bezwaar en beroep instellen.”

Bestuurlijke boetes hebben een bijzonder karakter. Zij zijn bestraffend van aard en kwalificeren als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Dat brengt extra waarborgen met zich voor de overtreder. Te denken valt aan het recht op een eerlijk proces. De vraag is of dit punitieve karakter zich verzet tegen deelname van derden aan de procedure.

Overwegingen conclusie
Volgens Widdershoven bestaat er kort gezegd geen principiële uitsluiting van derden bij bestuurlijke boetes. Het feit dat een boete bestraffend is, betekent niet automatisch dat niemand anders dan de overtreder belanghebbende kan zijn. Doorslaggevend blijft of wordt voldaan aan de wettelijke criteria van het belanghebbende-begrip.

Maar daarbij is een belangrijk onderscheid. Een derde kan in ieder geval belanghebbende zijn bij een besluit om geen boete op te leggen, wanneer dat besluit is genomen naar aanleiding van een handhavingsverzoek van die derde. In zo’n situatie kan het uitblijven van sanctionering gevolgen hebben voor de naleving van de norm in de toekomst.

Ook bij de oplegging van een boete kan onder omstandigheden sprake zijn van een derde-belanghebbende. Dat is met name het geval wanneer de boete het directe gevolg is van een handhavingsverzoek en een derde een eigen, persoonlijk of collectief belang heeft dat rechtstreeks door het boetebesluit wordt geraakt.

Voor belangenorganisaties geldt bovendien dat hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden voldoende specifiek moeten zijn gericht op het belang dat door het boetebesluit wordt geraakt.

Widdershoven benadrukt dat terughoudendheid geboden is. De processuele rechten van de overtreder moeten worden beschermd. Denk daarbij aan de vertrouwelijkheid van stukken en het beginsel van ‘equality of arms’.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
De conclusie is een belangrijk advies aan de Afdeling. Niet het punitieve karakter van de bestuurlijke boete is beslissend, maar de vraag of een derde voldoet aan de eisen van het belanghebbende-begrip. Als de Afdeling bestuursrechtspraak deze lijn volgt, ontstaat meer ruimte voor de rechtsbescherming van derden in handhavingszaken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de fundamentele waarborgen voor de overtreder.

Voor de praktijk zou dit kunnen gaan betekenen dat het bestuursorgaan niet langer zonder meer kan volstaan met het standpunt dat bij boetes geen derde-belanghebbende bestaan. Met name bij boetes die volgen op handhavingsverzoeken van belangenorganisaties zal zorgvuldiger moeten worden beoordeeld of er sprake is van een rechtstreeks betrokken belang. Het is nu aan de Afdeling om hierover een definitief oordeel te vellen. Wij houden je op de hoogte. Vragen over handhaving? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 januari 2026

Omdat je verder wilt

Pied-à-terre-regeling in Amsterdam: wat verandert er in 2026 voor de tweede woning?

Inleiding
De gemeente Amsterdam voert per 2026 een regeling in voor het gebruik van woonruimte als tweede woning. Beter bekend als de pied-à-terre regeling. Met deze wijziging beoogt de gemeente de schaarse woningvoorraad beter te beschermen en het structureel gebruik van woningen als tweede verblijf verder te beperken. De nieuwe regeling heeft verstrekkende gevolgen voor huidige en toekomstige eigenaren en gebruikers van een pied-à-terre in Amsterdam. In dit artikel lees je kort wat de nieuwe regels inhouden, welke voorwaarden gelden en voor wie het overgangsrecht van toepassing is.

Achtergrond en doel van de regeling
De gemeenteraad van Amsterdam heeft ervoor gekozen het gebruik van een woning als tweede woning expliciet aan te merken als een vorm van onttrekking van woonruimte. Daarmee wordt het pied-à-terre niet langer gezien als een randverschijnsel, maar als een reguleringswaardig gebruik dat direct raakt aan de beschikbaarheid van woonruimte voor reguliere bewoners.

Nieuw vergunningsstelsel voor tweede woningen
Een vergunning kan uitsluitend worden verleend indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de woning geen deel uitmaken van de sociale huurvoorraad of de middeldure huurvoorraad. Daarnaast moet de aanvrager zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam hebben en mag hij of zij niet beschikken over meer dan één tweede woning binnen de gemeente.

Het vereiste van noodzaak
Zelfs wanneer aan alle algemene voorwaarden is voldaan, wordt een vergunning alleen verleend als de aanvrager binnen één van de opgesomde categorieën valt. Eén voorbeeld hiervan is dat de aanvrager in Amsterdam werkt en daarvoor minimaal twee nachten per week gedurende ten minste zes maanden in de stad verblijft.

Wie niet onder één van deze categorieën valt, komt niet aanmerking voor een vergunning, ongeacht persoonlijke omstandigheden of de mate waarin de woning feitelijk wordt gebruikt.

Duur en karakter van de vergunning
De vergunning voor het gebruik als tweede woning wordt verleend voor maximaal drie jaar. Aan de vergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder het verbod om de woning te verhuren of door derden te laten gebruiken.

Overgangsrecht: bescherming van bestaande situaties
Voor personen die hun woning reeds in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 als tweede woning gebruikten en die voldoen aan de voorwaarden is een overgangsregeling.

Conclusie en gevolgen praktijk
Met de nieuwe pied-à-terre-regeling kiest de gemeente Amsterdam nadrukkelijk voor een restrictief beleid. Het gebruik van een tweede woning wordt vanaf 2026 de uitzondering in plaats van de regel en is alleen toegestaan bij noodzaak. Met name het limitatieve karakter van de noodzaakcriteria en het persoonsgebonden karakter van de vergunning maken dat veel bestaande en potentiële pied-à-terre-eigenaren hun positie opnieuw zullen moeten beoordelen.

Valt u als eigenaar of gebruiker van een tweede woning in Amsterdam onder het overgangsrecht, en kunt u op lange termijn aan de nieuwe voorwaarden blijven voldoen? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 7
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV