• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Opinie

7 juli 2026

Omdat je verder wilt

Checklist loontransparantie

In 2027 treedt naar verwachting de Wet implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen in werking. Met deze wet beoogt de wetgever ongerechtvaardigde loonverschillen tussen mannen en vrouwen inzichtelijk te maken en tegen te gaan. Voor werkgevers brengt dit nieuwe verplichtingen met zich mee. Een tijdige voorbereiding is belangrijk om boetes, claims van werknemers en reputatieschade te voorkomen.

Benieuwd naar de veranderingen? Deze checklist maakt inzichtelijk welke acties nodig zijn.

Heb je vragen over deze checklist of de aankomende veranderingen?
Neem dan contact op met Serena Bank via [email protected].

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

16 juni 2026

Omdat je verder wilt

Bestuurdersaansprakelijkheid en doorstartconstructies

Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1031) verduidelijkt dat een bestuurder ook aansprakelijk kan zijn op grond van onrechtmatige daad, met name als met een concernstructuur wordt gewerkt die niet voldoende is vastgelegd.

Praktijktips
De belangrijkste lessen uit het arrest:

  • Zorg voor een deugdelijke administratie. Als die ontbreekt, sta je als bestuurder direct op achterstand: het bewijsvermoeden van onbehoorlijk bestuur slaat snel toe.
  • Let extra op als de activiteiten van een onderneming worden gesplitst in diverse vennootschappen, waarbij de inkomsten bij één vennootschap binnenkomen, terwijl de kosten voor rekening van een andere vennootschap komen.
  • Indirecte bestuurders lopen reëel risico. Ook buitenlandse holdings kunnen via art. 2:11 BW aansprakelijk worden gehouden.
  • Natuurlijke personen blijven niet buiten schot. Zelfs als zij geen formeel of feitelijk bestuurder zijn, kan aansprakelijkheid volgen via onrechtmatige daad.

Waar ging de zaak over?
Het arrest gaat over de doorstart van modeketen Miss Etam na een faillissement. Bij die doorstart werden de activa en de omzet ondergebracht in één vennootschap, terwijl het personeel werd verdeeld over vier afzonderlijke personeelsvennootschappen. Die personeelsvennootschappen beschikten niet over een eigen bankrekening, hadden geen eigen inkomsten en er waren geen schriftelijke afspraken gemaakt over de terbeschikkingstelling van het personeel. Uiteindelijk zijn deze personeelsvennootschappen failliet gegaan.

De curator stelde zich op het standpunt dat zowel de directe als de indirecte bestuurders aansprakelijk waren voor het faillissementstekort. Volgens de curator was sprake van onbehoorlijk bestuur, omdat de interne verhoudingen en de geldstromen onvoldoende inzichtelijk waren.

Wat oordeelt het hof?
Het hof hanteert een strikte benadering en bevestigt een aantal bekende, maar in de praktijk zeer relevante uitgangspunten.

In de eerste plaats acht het hof de administratieplicht van groot belang. De administratie was volgens het hof zodanig gebrekkig dat de geldstromen en onderlinge verplichtingen niet goed konden worden vastgesteld. In zo’n situatie geldt het wettelijke vermoeden dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Daarnaast kijkt het hof niet alleen naar de gebrekkige administratie, maar ook naar het feitelijke handelen van het bestuur. Volgens het hof heeft het bestuur nagelaten om tijdig gelden te innen of door te sluizen, terwijl die middelen nodig waren om crediteuren te kunnen voldoen. Daardoor is de financiële positie van de betrokken vennootschappen verder verslechterd.

Het verweer dat de coronapandemie de doorslaggevende oorzaak van het faillissement was, slaagt niet. Volgens het hof doorbreekt een externe oorzaak het causale verband niet wanneer daarnaast ook intern sprake is van wanbeleid.

Wie is aansprakelijk
Het arrest is vooral interessant omdat het hof verschillende lagen van aansprakelijkheid onderscheidt. Zo kunnen indirecte bestuurders, zoals holdings, via artikel 2:11 BW aansprakelijk worden gehouden. Dat geldt ook wanneer die holdings in het buitenland zijn gevestigd. Daarnaast oordeelt het hof over de buitenlandse natuurlijke persoon achter een buitenlandse holding. Die persoon wordt niet als feitelijk beleidsbepaler aangemerkt, omdat hij formeel bestuurder was, maar wordt wel persoonlijk aansprakelijk geacht op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Volgens het hof heeft hij persoonlijk een zorgplicht geschonden, onder meer door de gekozen vennootschapsstructuur, het ontbreken van duidelijke onderlinge afspraken en het nalaten om openstaande vorderingen te innen. Als dit een Nederlandse natuurlijke persoon was geweest, was een aansprakelijkstelling via artikel 2:11 BW wel mogelijk geweest.

Laatste tip:
Een doorstart moet dus niet worden gezien als een schone lei. Juist in de fase daarna is het essentieel dat de governance en de administratie strak zijn ingericht.

Meer informatie over bestuurdersaansprakelijkheid en/of doorstartconstructies? Neem contact op via [email protected], wij brengen u direct in contact met een van onze specialisten.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Insolventie, Ondernemingsrecht, Opinie

29 mei 2026

Omdat je verder wilt

Het belang van de juiste termijnen

In de praktijk lijkt het overzichtelijk: een termijn is een termijn. Toch kan het juist in perioden met feestdagen fout gaan. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.

Verlenging bij weekend- en feestdagen
Vaak wordt er vanuit gegaan dat een termijn die eindigt op een weekend- of feestdag automatisch wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Dat klopt in veel gevallen: de Algemene termijnenwet bepaalt dat een wettelijke termijn dan wordt verlengd. Van belang is dat dit uitgangspunt alleen geldt voor wettelijke termijnen. Contractuele termijnen (zoals overeengekomen opzegtermijnen) vallen hier dus in beginsel niet onder, tenzij partijen daar zelf iets over hebben geregeld. Nog belangrijker is dat deze regel uitzonderingen heeft en die zijn minder bekend.

Uitzonderingen
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op alle termijnen. Zo geldt de verlenging van een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt niet voor termijnen die worden berekend door terug te rekenen vanaf een bepaald tijdstip of een bepaalde gebeurtenis. Ook geldt zij niet voor langere termijnen, zoals termijnen van meer dan drie maanden. In die gevallen verschuift de einddatum dus niet, maar eindigt de termijn gewoon op de laatste dag zelf. Tot slot is van belang dat niet iedere feestdag een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet is.

Fatale termijn van zes maanden in het huurrecht
Een van de uitzondering was ook aan de orde in een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2026:4514, Rechtbank Amsterdam, 12079223 \ KK EXPL 26-75). Het ging in deze zaak om een ingestelde vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst na het overlijden van de huurder. Degene die met na het overlijden van de huurder in de woning achterblijft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, kan een dergelijke vordering binnen zes maanden na het overlijden instellen. De huurder is op 6 oktober 2025 overleden, zodat de termijn van zes maanden in dit geval op 6 april 2026 verliep. Dat was dit jaar Tweede Paasdag. De vordering was echter pas op 7 april 2026 ingesteld. De vraag die voorlag is of de termijn in dit geval werd verlengd tot de eerstvolgende dag die geen feestdag is. In de uitspraak benadrukt de rechtbank dat toepassing van de Algemene termijnenwet afhankelijk is van de duur van de termijn. De termijn voor het instellen van een vordering tot voortzetting van de huur na overlijden is omschreven in maanden en de Algemene termijnenwet geldt niet voor termijnen van meer dan drie maanden. De conclusie is dat de vordering een dag te laat is ingesteld.

Les voor de praktijk
De hiervoor genoemde uitspraak leert dat men beter het zekere voor het onzekere kan nemen en dat het bij het bepalen van de termijn veiliger is om niet uit te gaan van een verlenging. Neem de laatste dag van de termijn als uitgangspunt en zorg dat de termijn uiterlijk op die dag (of eerder) wordt veiliggesteld. Of controleer per geval of een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt daadwerkelijk wordt verlengd of dat één van de uitzonderingen geldt, want de gevolgen van een onjuiste aanname kunnen groot zijn.

Meer informatie over termijn of huurrecht? Neem contact op met Louise Strating.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

16 april 2026

Omdat je verder wilt

Waardering van aandelen conform de Leidraad van de Ondernemingskamer

Inleiding
In 2025 is de aangepaste geschillenregeling (2:336a BW e.v.) in werking getreden. Zie daarover mijn eerdere artikel. In die procedure bij de Ondernemingskamer, kan een aandeelhouder vrijwillig uittreden of daartoe worden gedwongen en speelt de waardering van aandelen een belangrijke rol. Dat geldt vaak ook voor geschillen tussen aandeelhouders buiten de geschillenregeling om.

De Ondernemingskamer heeft een Leidraad vastgesteld die ingaat op belangrijke knelpunten bij de waardering van aandelen. De Leidraad geeft daarmee richting aan de prijsbepaling in de geschillenregeling (artikel 2:343c BW) en bevordert zo de rechtszekerheid voor partijen die gebruik (willen) maken van de geschillenregeling. De Leidraad kan echter ook nuttig zijn als aandeelhouders er op een andere manier proberen uit te komen. Deze bijdrage gaat in op een aantal belangrijke punten uit de Leidraad voor de waardering van aandelen.

Uitgangspunten voor de waardering
De opdracht van de waarderingsdeskundige is om te bepalen wat de waarde van de over te dragen aandelen of certificaten op een bepaalde datum is. De Ondernemingskamer kan de waarderingsdeskundige ook vragen bepaalde onderwerpen (zoals gedragingen van een bestuurder of aandeelhouder) die van invloed kunnen zijn geweest op de waarde in zijn onderzoek te betrekken. Het doel van het rapport van de waarderingsdeskundige is om de Ondernemingskamer in staat te stellen een reële en redelijke vergoeding voor de aandelen of certificaten vast te stellen, dat wil zeggen een prijs die in redelijke verhouding tot de waarde van de onderneming staat.

De Leidraad geeft als uitgangspunten voor de waardering:

  • De waarde van het aandelenbelang wordt vastgesteld op een pro rata parte deel van 100% van de aandelen of certificaten. In beginsel wordt er dus geen minderheidskorting of meerderheidsopslag toegepast.
  • De onderneming wordt zelfstandig (stand alone) en op dezelfde wijze (going concern) voortgezet.
  • De peildatum is in beginsel het moment waarop de Ondernemingskamer beslist op het verzoek tot uittreding of uitstoting.
  • Voor de waardering wordt de Discounted Cash Flow (DCF)-methode (of een variant daarvan) gebruikt. Daarbij worden de verwachte toekomstige geldstromen contant gemaakt. De deskundige mag dit combineren met andere methoden ter kruiscontrole of afwijken van de DCF-methode als hij toelicht waarom een andere grondslag leidt tot een betere bepaling van een reële en redelijke vergoeding voor de aandelen.
  • Bepalingen over de waardering in de statuten of aandeelhoudersovereenkomst worden meegenomen in de waardering, tenzij toepassing daarvan zou leiden tot een onredelijke uitkomst.

Medewerkingsplicht
Partijen moeten de deskundige in staat stellen zijn werk goed te doen door hem toegang te geven tot alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die hij relevant acht voor het onderzoek. Dit kan ook gelden voor andere nauw verbonden vennootschappen. Relevante gegevens kunnen ook interne rapportages en notities, managementinformatie, gespreksverslagen, notulen, correspondentie, e-mails en berichten die zijn verzonden via sociale media zijn. Als een partij zijn medewerking weigert, dan kan de raadsheer-commissaris (die vanuit de Ondernemingskamer toeziet op het deskundigenonderzoek) hem bevelen tot medewerking en ook kan de Ondernemingskamer aan die weigering consequenties verbinden.

Vertrouwelijkheid
Omdat de deskundige toegang krijgt tot vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie is het van belang dat de vertrouwelijkheid is gewaarborgd. Uiteraard is de deskundige tot geheimhouding verplicht, maar dat geldt ook voor de andere betrokken partijen. De deskundige hoeft niet altijd alle informatie met alle betrokken partijen te delen en niemand mag mededelingen doen over het waarderingsrapport.

Hoor en wederhoor
De deskundige zal partijen zo goed mogelijk in staat stellen zich uit te laten over zijn bevindingen. Met andere woorden: de bevindingen van de deskundige moeten herleidbaar en toetsbaar zijn. Als de deskundige toegang zich baseert informatie die vanwege de vertrouwelijkheid daarvan niet aan alle partijen ter beschikking staat, dan kan een partij daar bezwaar tegen maken en zal de Ondernemingskamer kunnen beslissen dat die vertrouwelijke informatie alsnog moet worden gedeeld of buiten beschouwing moet worden gelaten.

Conclusie
Indien u meer informatie wilt over de geschillenregeling bij de Ondernemingskamer of zich in een situatie bevindt waarbij aandelen moeten worden gewaardeerd, neem dan contact op met Robin de Jong

Geplaatst in: Ondernemingsrecht, Opinie

30 maart 2026

Omdat je verder wilt

Schijnzelfstandigheid: waar staan we?

Inleiding

Het onderwerp schijnzelfstandigheid houdt arbeidsrechtelijk Nederland al geruime tijd bezig. De aangekondigde herstart van de handhaving door de Belastingdienst per 1 januari 2025 zorgde voor flinke onrust bij opdrachtgevers en zelfstandigen. Veel bestaande zzp‑constructies zijn opnieuw tegen het licht gehouden en getoetst aan de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (Hoge Raad: X/Gemeente Amsterdam (2020), Deliveroo (2023) en Uber (2025)).

Die onrust bij organisaties is begrijpelijk. Het onderscheid tussen loondienst en zelfstandigheid is in de praktijk vaak niet scherp te trekken. Ondertussen zijn er meerdere ontwikkelingen gaande, zowel op het gebied van handhaving als in de wetgeving, die moeten zorgen voor meer rust en duidelijkheid. In dit artikel komen de belangrijkste lijnen aan bod.

Handhaving met een ‘zachte landing’
Om te voorkomen dat de herstart van de handhaving direct tot grote risico’s op sancties voor opdrachtgevers zou leiden, is gekozen voor een zogenoemde zachte landing.

Per 1 januari 2025 betekent dit dat de Belastingdienst wel correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen kan opleggen bij constatering van schijnzelfstandigheid, maar in beginsel niet over perioden vóór 1 januari 2025. Boetes worden nog niet opgelegd. In plaats daarvan wordt ingezet op een begeleidende aanpak. De Belastingdienst start doorgaans met een bedrijfsbezoek, gericht op overleg en het verbeteren van de werkwijze, in plaats van direct handhavend op te treden.

Deze verzachtende aanpak is gedeeltelijk verlengd tot eind 2026. Ook in dit kalenderjaar geldt dat de Belastingdienst bij een vermoeden van schijnzelfstandigheid meestal begint met een bedrijfsbezoek. Het doel blijft overleg en het aanpassen van de praktijk waar nodig. Verzuimboetes blijven ook dit jaar in beginsel achterwege. Wel kunnen vergrijpboetes worden opgelegd als sprake is van opzet of grove schuld. Daarnaast kan de Belastingdienst bij een controle een langere periode onderzoeken dan alleen het laatste aangiftetijdvak. Naheffingen blijven daarmee een reëel risico.

Per 1 januari 2027 vervalt de zachte landing volledig en worden arbeidsrelaties weer op reguliere wijze gehandhaafd.

Nieuwe wetgeving
Naast de handhaving wordt gewerkt aan wetgeving die meer duidelijkheid moet bieden over de kwalificatie van arbeidsrelaties.

Wet Vbar
De Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet Vbar) beoogt de bestaande rechtspraak wettelijk vast te leggen. Het wetsvoorstel bevat verduidelijkende criteria voor werknemerschap, zoals gezag en organisatorische inbedding, en criteria die juist duiden op zelfstandig ondernemerschap.

Daarnaast introduceert het voorstel een rechtsvermoeden van werknemerschap bij lage uurtarieven. Zzp’ers met een uurtarief tot € 38 (peildatum 1 januari 2026) kunnen zich daardoor eenvoudiger op het standpunt stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij de bewijslast voor het aantonen van het tegendeel bij de opdrachtgever ligt.

De Raad van State heeft zich kritisch uitgelaten over het voorstel en spreekt de verwachting uit dat het in de praktijk weinig extra duidelijkheid biedt. Het kabinet heeft inmiddels besloten het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar niet naar het parlement te sturen. Het onderdeel over het rechtsvermoeden bij lage tarieven blijft wel bestaan en wordt ondergebracht in de nieuwe Zelfstandigenwet.

Zelfstandigenwet
De aangekondigde Zelfstandigenwet kiest een andere insteek. De nadruk ligt minder op (her)kwalificatie achteraf en meer op rechtszekerheid vooraf. Centraal staat de vraag of partijen hun samenwerking als opdrachtovereenkomst mogen vormgeven.

 

Het beoogde toetsingskader bestaat uit meerdere elementen, waaronder:

  • een ondernemerstoets, waarin wordt gekeken of de werkende zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt (zoals ondernemersrisico, meerdere opdrachtgevers en tariefvrijheid);
  • een werkrelatietoets, die ziet op de feitelijke inrichting van het werk, zoals vrijheid in de uitvoering en de afwezigheid van hiërarchisch gezag;
  • mogelijke sectorale rechtsvermoedens en vormen van voorafgaande beoordeling, om in specifieke sectoren meer houvast te bieden.

De wet bevindt zich nog in de uitwerkingsfase. Het doel is om meer rust en voorspelbaarheid te brengen in een praktijk waarin opdrachtgevers de afgelopen jaren steeds terughoudender zijn geworden.

 

Tot slot
De handhaving op schijnzelfstandigheid is inmiddels op gang gekomen, terwijl de gewenste verduidelijking via wetgeving nog op zich laat wachten. Het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar is van tafel. De Zelfstandigenwet moet nog langs beide Kamers en zowel de inhoud als de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2026 is daarmee nog onzeker.

Voor organisaties is afwachten geen verstandige strategie. Zeker nu de verzachtende handhavingsmaatregelen per 1 januari 2027 eindigen, is het raadzaam om zzp‑constructies tijdig juridisch te laten toetsen. Een gerichte juridische check vooraf voorkomt fikse naheffingen en boete bij een controle en zorgt voor duidelijkheid en rust binnen de organisatie. Dat is doorgaans efficiënter – en uiteindelijk goedkoper – dan achteraf moeten repareren.

Certa advocaten denkt graag (tijdig) met je mee over wat deze ontwikkelingen voor jouw organisatie betekenen. Ben je benieuwd? Neem dan contact op met Sharif Ali of Matthijs Bos.

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

23 maart 2026

Omdat je verder wilt

Verrekening vóór datum faillissement. Curator versus de bank. Discussie over artikel 54 Fw. Wie trekt aan het langste eind?

Recent, op 13 maart 2026, heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de toepassing van artikel 54 Fw (verrekening) bij binnenkomende betalingen op de bankrekening van een rekeninghouder in het zicht van faillissement. Volgens de curator heeft de bank in strijd met artikel 54 Fw gehandeld door een specifieke betaling te verrekenen, wat niet had gemogen. De bank ziet dit anders. Wat de Hoge Raad vindt, lees je later in dit artikel.

Waar gaat de (feitelijke) kwestie over?
Voordat we bij het inhoudelijke debat uitkomen, is het belangrijk om de feiten te schetsen. De onderneming waar het om gaat, is een café-restaurant. Het restaurant werd vanaf februari 2017 door de Rabobank gefinancierd (rekening-courantverhouding). De kredietruimte was EUR 25.000. Het restaurant heeft als gevolg van de COVID-19-crisis haar deuren moeten sluiten. Vervolgens is het faillissement op 17 april 2020 (bij eigen aangifte) aangevraagd en op 21 april 2020 is het faillissement uitgesproken. Vanaf dat moment staat de curator aan het roer.

Voor datum faillissement heeft het restaurant bij het UWV de welbekende NOW-subsidie ten behoeve van de loonkosten aangevraagd. Het UWV heeft de subsidie op 10 april 2020 toegekend. De eerste betaaltermijn à EUR 15.478 is op 14 april 2020 bijgeschreven. Het saldo op de rekening van het restaurant was op dat moment negatief. De Rabobank heeft de betaling verrekend met haar vordering, waardoor het negatieve saldo lager is geworden. Vervolgens zijn er tussen 14 april 2020 en 21 april 2020 nog diverse betalingen (op instructie van het restaurant) verricht, zodat per datum faillissement het saldo (fors) verder onder de nul terecht is gekomen.

De curator heeft vanaf datum faillissement inzage in de bankrekening(en) en transacties, waaronder dus de bijschrijving vanuit het UWV zoals hiervoor aangehaald. Volgens de curator heeft de Rabobank in strijd gehandeld met artikel 54 lid 1 Fw. De curator heeft dan ook verzocht EUR 15.478 naar de boedelrekening over te maken. De Rabobank heeft niet aan dit verzoek voldaan. De curator laat het er niet bij zitten en start een procedure met als doel: betaling aan de boedel van in totaal EUR 15.748.

Het juridisch kader: artikel 54 Fw
De curator is van mening, zoals hiervoor opgemerkt, dat de handelswijze van de Rabobank in strijd is met artikel 54 Fw. Doel en strekking van deze bepaling is om misbruik van verrekening te voorkomen en (ongerechtvaardigde) bevoordeling van bepaalde schuldeisers tegen te gaan. Maar wat is er in dit artikel bepaald? Kort samengevat het volgende:

  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering vóór datum faillissement van een derde is overgenomen en je niet te goeder trouw was; en
  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering ná datum faillissement is overgenomen.

In dit geval gaat het om de situatie zoals onder (i) genoemd. Ter verduidelijking nog het volgende. Het begrip derde wordt ruim gehanteerd. Hieronder vallen ook bankbetalingen en rekening-courantverhoudingen. Dat is vaste rechtspraak. Wanneer ben je dan niet te goeder trouw in de verrekening? Dat is het geval als je weet of behoorde te weten dat het faillissement te verwachten viel. Dan mag je dus niet verrekenen.

Wat is het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof?
De rechtbank oordeelde dat (in deze situatie) artikel 54 Fw inderdaad aan verrekening in de weg kan staan, maar wees de vordering van de curator af omdat – wat haar betreft – niet vaststond dat de Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw.

Het gerechtshof is het met de beslissing van de rechtbank eens en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Volgens het gerechtshof is artikel 54 Fw niet geschreven voor de situatie waarin inkomende betalingen (feitelijk) worden opgesoupeerd door latere betalingsopdrachten vanuit de rekeninghouder. Daar komt de vrees voor maatschappelijke gevolgen bij. Als de uitgaande betalingsopdrachten (in opdracht van de rekeninghouder) uiteindelijk voor rekening van de bank komen, gaan banken in financiële noodsituaties eerder het betalingsverkeer blokkeren. Dat is schadelijk voor de schuldeisers en de bedrijfscontinuïteit. Feitelijk creëert het gerechtshof met deze redenering een nieuwe uitzondering op het strikte verbod van verrekening van artikel 54 Fw.

De curator is het niet met het arrest van het gerechtshof eens en gaat in cassatie. Kort gezegd de reden: de nieuwe uitzondering (ten gunste van de banken) is in strijd met vaste rechtspraak en daarvoor heeft het gerechtshof geen goede gronden gegeven.

Wat vindt de Hoge Raad?
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 54 Fw helder is en er geen ruimte bestaat voor het maken van een uitzondering in deze situatie. Dit wordt als volgt uitgelegd. Als een derde betaalt op de bankrekening van de schuldenaar, wordt de bank (door creditering) schuldenaar van de rekeninghouder. In beginsel mag de bank binnen de rekening-courantverhouding verrekenen. Wanneer niet? Als de bank niet te goeder trouw is. Dat is wanneer zij wist of behoorde te weten dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten was (peilmoment). Uitgaande betalingen maken de situatie voor de bank niet anders. De Hoge Raad besluit dan ook tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof en verwijst naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.

Tot slot
De Hoge Raad benadrukt een belangrijk principe, namelijk dat het girale betalingsverkeer geen uitzonderingspositie voor banken ten opzichte van andere schuldeisers rechtvaardigt. De Hoge Raad gaat dus voor rechtszekerheid en gelijkheid van schuldeisers, terwijl het gerechtshof oog heeft willen hebben voor de maatschappelijke belangen. Die vlieger gaat niet op.

Kort en goed: artikel 54 Fw is duidelijk en ruimte voor het maken van een uitzondering is er, bij (latere) uitgaande betalingen, in ieder geval niet. Niet te goeder trouw in de zin van artikel 54 Fw is “gewoon” niet te goeder trouw. Voor de gezamenlijke schuldeisers in een faillissement is dit goed nieuws. Voor banken is dit natuurlijk minder goed nieuws.

Vragen over deze uitspraak of andere faillissementsrechtelijke kwesties? Neem dan gerust contact op met Macy Weij of een van onze andere specialisten. Een tijdig advies kan het verschil maken.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 27
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV