• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Opinie

10 maart 2026

Omdat je verder wilt

Debiteurenbeheer: misschien niet de leukste bezigheid, maar wel erg nuttig en belangrijk

We kennen allemaal die gedachte: die openstaande debiteuren, daar moet ik eigenlijk achteraan, maar dat doe ik liever op een ander moment. Op zich begrijpelijk, maar betaalachterstanden lopen op deze manier sneller op en blijven langer openstaan. Er worden nu eenmaal wel eens facturen over het hoofd gezien, waardoor betaling uitblijft. Hoe langer je wacht met het versturen van een herinnering, hoe groter de kans dat jouw (onbetaalde) factuur onderaan de stapel belandt. Hierdoor verslechtert je positie als crediteur.

Dat zien wij terug bij (ver)huurders en vastgoedbeheerders, maar ook bij handelsondernemingen en natuurlijke personen met een onderneming. De vraag is daarom niet of je moet handelen, maar wanneer.

Het kernprobleem: niets doen en uitstelgedrag ondermijnen het dossier
Waar een betalingsachterstand voorheen vaak tijdelijk was, zien wij nu structureel uitstel. Debiteuren reageren niet of nauwelijks, komen betalingsregelingen niet na en laten nieuwe (huur)termijnen onbetaald. Met name bij achterstallige huurincasso’s kan dit snel leiden tot meerdere maanden achterstand, zonder dat enige actie is ondernomen.

Uitstel wordt vaak ingegeven door de wens om de relatie te behouden en/of door onzekerheid over juridische mogelijkheden. In de praktijk leidt dit juist tot verlies van regie en afnemende verhaalsmogelijkheden aan de zijde van de schuldeiser. Bovendien wil je voorkomen dat bij debiteuren de gedachte ontstaat dat niet of te laat betalen wordt geaccepteerd en dat deze tactiek dus werkt.

Hoe zit het juridisch ook alweer op hoofdlijnen?
Het is aan te bevelen om in contracten en algemene voorwaarden een duidelijke betalingstermijn op te nemen, zodat hierover geen discussie kan ontstaan. Europese richtlijnen schrijven voor dat de maximale betalingstermijn bij handelstransacties tussen bedrijven 60 dagen bedraagt, tenzij tussen partijen afwijkende afspraken worden gemaakt. Als er geen contract is, geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Overheden en instanties moeten hun leveranciers eveneens binnen 30 dagen betalen.

Voor consumententransacties geldt geen vaste betalingstermijn, maar deze moet wel redelijk zijn. In de praktijk wordt een betalingstermijn tussen de 7 en 30 dagen als redelijk beschouwd. Voordat je incassokosten aan consumenten in rekening kunt brengen, moet een zogenaamde 14‑dagenbrief worden gestuurd. Hiermee krijgt de consument nog 14 dagen de tijd om de factuur vrijwillig en zonder kosten te voldoen.

Het is aan te raden om dit proces op een duidelijke en gestandaardiseerde wijze in te richten en de brief per aangetekende post te versturen. Dat klinkt misschien ouderwets, maar zo kan er geen discussie ontstaan over de vraag of de brief wel of niet is ontvangen.

Zekerheden inbouwen
Bij grotere transacties is het aan te raden om, waar mogelijk, zekerheden te bedingen en deze juridisch goed vast te leggen. De meest voorkomende zekerheden zijn een hypotheek op vastgoed of een pandrecht op roerende zaken, zoals handelsvoorraden en bedrijfsinventaris. Daarnaast is in de meeste leverancierscontracten een eigendomsvoorbehoud opgenomen.

Soms zijn dit soort zekerheden echter niet mogelijk of te omslachtig. In dat geval kan het een oplossing zijn om meerdere betrokken partijen het contract als medeschuldeiser hoofdelijk te laten mee tekenen, zodat zij ook aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de volledige betaling. Een vordering op een lege B.V. die verder geen verhaal biedt, brengt immers een groot risico op niet‑betaling met zich mee.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van meerdere debiteuren moet wel zorgvuldig worden vastgelegd. Niets is vervelender dan achteraf te constateren dat een dergelijke vorm van zekerheid uiteindelijk niet kan worden afgedwongen. Als schuldeiser sta je dan mogelijk alsnog met lege handen.

Buitengerechtelijke incasso: effectief, mits duidelijke grenzen worden gesteld
Als een schuldenaar de vordering niet vrijwillig betaalt, kan een buitengerechtelijk incassotraject uitkomst bieden. Dit traject is bedoeld om betaling te verkrijgen zonder tussenkomst van de rechter. Dat werkt echter alleen wanneer vooraf duidelijke grenzen worden gesteld.

In veel dossiers ontbreekt een concreet escalatiemoment, worden betalingsregelingen niet juridisch correct vastgelegd of onvoldoende gemonitord en blijft het traject door sudderen zonder consequenties. Het gevolg is dat het gerechtelijke incassotraject en eventueel beslaglegging uiteindelijk alsnog nodig zijn, maar dan met een minder sterk dossier. Uiteraard is het hierbij van belang om bedongen zekerheden tijdig in stelling te brengen en daadwerkelijk uit te winnen.

Op tijd overschakelen naar gerechtelijke incasso
Het is belangrijk om een duidelijk beleid te hebben en daar ook naar te handelen. Met een sterk dossier kan dan tijdig een procedure aanhangig worden gemaakt, bijvoorbeeld via een bodemprocedure, kort geding of beslagleggingsprocedure. Wij zien echter dat deze stappen vaak pas worden gezet wanneer de achterstand al fors is opgelopen en de kans op verhaal is afgenomen.

Voor woningcorporaties en vastgoedbeheerders is dit extra relevant. De Wet goed verhuurderschap beschermt huurders tegen misstanden zoals discriminatie. Daarnaast zijn verhuurders verplicht om een huurachterstand te melden bij de gemeente, mits de huurder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verstrekken van zijn of haar persoonsgegevens. Wanneer dit niet gebeurt, kan dit gevolgen hebben voor de beoordeling van een ontbindingsverzoek. Dan is al het werk aan een zorgvuldig en goed dossier mogelijk voor niets geweest.

Praktische tips voor het behouden van regie

  • Stel vooraf vast hoelang het buitengerechtelijke traject duurt en wanneer wordt doorgeschakeld;
  • Leg betalingsregelingen schriftelijk en juridisch correct vast en monitor deze actief;
  • Zorg voor een volledig dossier (overeenkomst, aanmaningen, correspondentie en zekerheden);
  • Bewaar het recht op kostenverhaal door wettelijk correct te starten; en
  • Overweeg tijdig het starten van een gerechtelijk incassotraject en beslaglegging als verhaal dreigt te verdwijnen.

Conclusie
Of het nu gaat om het innen van zakelijke vorderingen, achterstallige huur of het voeren van procedures: correcte dossieropbouw en timing zijn cruciaal. Een helder incassobeleid, duidelijke escalatiemomenten en actieve monitoring voorkomen dat vorderingen onnodig blijven liggen en uiteindelijk onbetaald blijven. Wees daarom actief in je debiteurenbeheer en geef zaken tijdig uit handen wanneer het zelf niet lukt.

Certa Advocaten adviseert en procedeert regelmatig over incasso, betalingsregelingen en zekerheden. Wil je sparren over je incassobeleid (bijvoorbeeld het opstellen van een stroomschema) of over een concreet dossier waarin betaling uitblijft? Neem dan gerust contact op met Macy Weij, Fatima Imbouh of Seerp Gratama. Wij kijken graag (tijdig) met je mee.

Geplaatst in: Incasso, Opinie

2 februari 2026

Omdat je verder wilt

Faillissement Geesink Norba definitief afgerond

Eind 2023 sprak de rechtbank Midden-Nederland het faillissement uit van vuilniswagenfabrikant Geesink Norba Holding B.V. en vier gelieerde vennootschappen in Emmeloord. De groep had vestigingen in diverse Europese landen en ongeveer 400 medewerkers, waarvan 250 in Nederland.

Oorzaken van het faillissement
Het bedrijf kampte al jaren met financiële problemen door een verlieslatende exploitatie, gebrek aan centrale sturing en veel wisselingen in management en aandeelhouders.

De prijzen van de vuilniswagens waren te laag ten opzichte van de hoge productiekosten, waardoor te weinig marge kon worden gemaakt. Ook het intensieve gebruik van externe adviseurs zorgde voor hoge kosten.

Interne conflicten leidden vlak voor het faillissement nog tot een kostbare enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer.

Voortzetting en doorstart
De curator heeft de werkzaamheden tijdelijk voortgezet om het onderhanden werk af te ronden en activa te verkopen.

Diverse vuilniswagens konden nog worden afgebouwd en uitgeleverd aan klanten in binnen- en buitenland. Openstaande vorderingen op debiteuren konden grotendeels worden geïncasseerd.

Per 1 januari 2024 zijn de activiteiten en bedrijfsmiddelen van Geesink overgenomen door Haller Benelux B.V., onderdeel van het Duitse Zoeller Kipper, samen met het Spaanse bedrijf Palvi S.L.

Ook het bedrijfspand in Emmeloord en de Spaanse fabriek in Sevilla zijn bij de overname betrokken. Dankzij deze doorstart kon een groot deel van het personeel aan het werk blijven.

Crediteurenakkoord en afwikkeling
Na de verificatievergaderingen in december 2024 en juni 2025 ontvingen alle crediteuren volledige betaling als onderdeel van een aangeboden crediteurenakkoord.

Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat de aandeelhouders van Geesink bereid waren een aanzienlijke vordering bij het crediteurenakkoord buiten beschouwing te laten.

Hierdoor konden alle crediteuren volledig worden voldaan. Eind 2025 heeft de rechtbank het eindverslag goedgekeurd en is het faillissement definitief afgerond.

Seerp Gratama, voormalig curator

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

15 januari 2026

Omdat je verder wilt

Mag een derde-belanghebbende een bestuurlijke boete aanvechten? De tijd zal het leren.

Inleiding
Bij bestuurlijke boetes komt de overtreder rechtsbescherming toe. De vraag of een derde als belanghebbende daartegen kan optreden is al een lange tijd onduidelijk. In een conclusie van 10 december 2025 geeft staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven richting aan deze discussie. Hieronder lees je kort waar het vraagstuk om draait en wat het mogelijk voor de handhavingsprakrijk voor bestuursorganen zal betekenen.

De zaak in het kort
FNV verstrekt informatie aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over mogelijke overtredingen van Europese rij- en rusttijdenregels door een Litouwse transportonderneming. De ILT heeft deze informatie meegenomen bij haar eigen onderzoek en legde uiteindelijk een bestuurlijke boete op.

FNV verzocht om als derdebelanghebbende te worden aangemerkt in de boeteprocedure en wilde bezwaar kunnen maken tegen het boetebesluit. De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees dit verzoek af, omdat het bestraffende karakter geen ruimte voor derden biedt. De rechtbank Midden-Nederland volgde dat standpunt.

In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vroeg de voorzitter om een conclusie over de principiële vraag of een derde belanghebbende kan zijn bij een besluit tot oplegging of weigering van een bestuurlijke boete?.

Juridisch kader
Het belanghebbende begrip staat hier centraal: “Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, kan bezwaar en beroep instellen.”

Bestuurlijke boetes hebben een bijzonder karakter. Zij zijn bestraffend van aard en kwalificeren als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Dat brengt extra waarborgen met zich voor de overtreder. Te denken valt aan het recht op een eerlijk proces. De vraag is of dit punitieve karakter zich verzet tegen deelname van derden aan de procedure.

Overwegingen conclusie
Volgens Widdershoven bestaat er kort gezegd geen principiële uitsluiting van derden bij bestuurlijke boetes. Het feit dat een boete bestraffend is, betekent niet automatisch dat niemand anders dan de overtreder belanghebbende kan zijn. Doorslaggevend blijft of wordt voldaan aan de wettelijke criteria van het belanghebbende-begrip.

Maar daarbij is een belangrijk onderscheid. Een derde kan in ieder geval belanghebbende zijn bij een besluit om geen boete op te leggen, wanneer dat besluit is genomen naar aanleiding van een handhavingsverzoek van die derde. In zo’n situatie kan het uitblijven van sanctionering gevolgen hebben voor de naleving van de norm in de toekomst.

Ook bij de oplegging van een boete kan onder omstandigheden sprake zijn van een derde-belanghebbende. Dat is met name het geval wanneer de boete het directe gevolg is van een handhavingsverzoek en een derde een eigen, persoonlijk of collectief belang heeft dat rechtstreeks door het boetebesluit wordt geraakt.

Voor belangenorganisaties geldt bovendien dat hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden voldoende specifiek moeten zijn gericht op het belang dat door het boetebesluit wordt geraakt.

Widdershoven benadrukt dat terughoudendheid geboden is. De processuele rechten van de overtreder moeten worden beschermd. Denk daarbij aan de vertrouwelijkheid van stukken en het beginsel van ‘equality of arms’.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
De conclusie is een belangrijk advies aan de Afdeling. Niet het punitieve karakter van de bestuurlijke boete is beslissend, maar de vraag of een derde voldoet aan de eisen van het belanghebbende-begrip. Als de Afdeling bestuursrechtspraak deze lijn volgt, ontstaat meer ruimte voor de rechtsbescherming van derden in handhavingszaken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de fundamentele waarborgen voor de overtreder.

Voor de praktijk zou dit kunnen gaan betekenen dat het bestuursorgaan niet langer zonder meer kan volstaan met het standpunt dat bij boetes geen derde-belanghebbende bestaan. Met name bij boetes die volgen op handhavingsverzoeken van belangenorganisaties zal zorgvuldiger moeten worden beoordeeld of er sprake is van een rechtstreeks betrokken belang. Het is nu aan de Afdeling om hierover een definitief oordeel te vellen. Wij houden je op de hoogte. Vragen over handhaving? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 januari 2026

Omdat je verder wilt

Pied-à-terre-regeling in Amsterdam: wat verandert er in 2026 voor de tweede woning?

Inleiding
De gemeente Amsterdam voert per 2026 een regeling in voor het gebruik van woonruimte als tweede woning. Beter bekend als de pied-à-terre regeling. Met deze wijziging beoogt de gemeente de schaarse woningvoorraad beter te beschermen en het structureel gebruik van woningen als tweede verblijf verder te beperken. De nieuwe regeling heeft verstrekkende gevolgen voor huidige en toekomstige eigenaren en gebruikers van een pied-à-terre in Amsterdam. In dit artikel lees je kort wat de nieuwe regels inhouden, welke voorwaarden gelden en voor wie het overgangsrecht van toepassing is.

Achtergrond en doel van de regeling
De gemeenteraad van Amsterdam heeft ervoor gekozen het gebruik van een woning als tweede woning expliciet aan te merken als een vorm van onttrekking van woonruimte. Daarmee wordt het pied-à-terre niet langer gezien als een randverschijnsel, maar als een reguleringswaardig gebruik dat direct raakt aan de beschikbaarheid van woonruimte voor reguliere bewoners.

Nieuw vergunningsstelsel voor tweede woningen
Een vergunning kan uitsluitend worden verleend indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de woning geen deel uitmaken van de sociale huurvoorraad of de middeldure huurvoorraad. Daarnaast moet de aanvrager zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam hebben en mag hij of zij niet beschikken over meer dan één tweede woning binnen de gemeente.

Het vereiste van noodzaak
Zelfs wanneer aan alle algemene voorwaarden is voldaan, wordt een vergunning alleen verleend als de aanvrager binnen één van de opgesomde categorieën valt. Eén voorbeeld hiervan is dat de aanvrager in Amsterdam werkt en daarvoor minimaal twee nachten per week gedurende ten minste zes maanden in de stad verblijft.

Wie niet onder één van deze categorieën valt, komt niet aanmerking voor een vergunning, ongeacht persoonlijke omstandigheden of de mate waarin de woning feitelijk wordt gebruikt.

Duur en karakter van de vergunning
De vergunning voor het gebruik als tweede woning wordt verleend voor maximaal drie jaar. Aan de vergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder het verbod om de woning te verhuren of door derden te laten gebruiken.

Overgangsrecht: bescherming van bestaande situaties
Voor personen die hun woning reeds in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 als tweede woning gebruikten en die voldoen aan de voorwaarden is een overgangsregeling.

Conclusie en gevolgen praktijk
Met de nieuwe pied-à-terre-regeling kiest de gemeente Amsterdam nadrukkelijk voor een restrictief beleid. Het gebruik van een tweede woning wordt vanaf 2026 de uitzondering in plaats van de regel en is alleen toegestaan bij noodzaak. Met name het limitatieve karakter van de noodzaakcriteria en het persoonsgebonden karakter van de vergunning maken dat veel bestaande en potentiële pied-à-terre-eigenaren hun positie opnieuw zullen moeten beoordelen.

Valt u als eigenaar of gebruiker van een tweede woning in Amsterdam onder het overgangsrecht, en kunt u op lange termijn aan de nieuwe voorwaarden blijven voldoen? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

8 januari 2026

Omdat je verder wilt

Hoge Raad bevestigt: verplichting goed huurderschap geldt ook buiten de woning

Inleiding
De Hoge Raad heeft op 5 december 2025 bevestigd dat goed huurderschap niet beperkt blijft tot gedragingen in de woning (ECLI:NL:HR:2025:1858). Ook gedragingen van de huurder buiten de woning – zoals misdragingen op het kantoor van de verhuurder – kunnen een tekortkoming opleveren en ontruiming van de huurwoning rechtvaardigen, onder de voorwaarde dat er voldoende verband bestaat met de huurrelatie. Dit oordeel sluit aan bij eerdere rechtspraak waarin (bijvoorbeeld) agressie en intimidatie jegens medewerkers van verhuurder of omwonenden tot ontbinding of ontruiming kon leiden. Met de uitspraak is de lijn dat goed huurderschap ook buiten de voordeur doorwerkt wederom bevestigd.

Goed huurderschap
Bij goed huurderschap wordt vaak gedacht aan gedragingen in de woning. Het gaat echter verder. De regel verplicht de huurder zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Ook gedrag buiten de woning kan hier onder omstandigheden onder vallen.

In de meest recente zaak van de Hoge Raad was sprake van een huurder die graag een andere woning wilde huren. De huurder ging hiervoor echter zo ver dat hij herhaaldelijk naar het kantoor van de verhuurder is gegaan en zich daar heeft misdragen. Onder andere door zich in het bijzijn van de medewerkers uit te kleden en zichzelf met een scheermesje te verwonden. De politie heeft meerdere keren moeten ingrijpen. Gelet op de ernst van de gedragingen en de impact op de medewerkers heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. De tekortkoming is niet gering, nu het grote impact heeft (gehad) op de medewerkers. Het kantoor is ook meerdere weken gesloten door het incident. Het Hof heeft volgens de Hoge Raad terecht de ontruiming toegewezen.

De Hoge Raad bevestigt dat de huurder – naast zorg voor de woning - ook zorg moet dragen voor de woonomgeving. Om een ontbinding en/of ontruiming te kunnen toewijzen moet er wel voldoende verband bestaan met de huurovereenkomst.

Kortom: goed huurderschap houdt niet op bij de voordeur.
Heb je hier vragen over? Neem contact op met Lisanne Hennink of het Vastgoed team.

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

5 januari 2026

Omdat je verder wilt

Arbeidsrecht in 2026: wat u als werkgever moet weten!

Namens het arbeidsrechtteam van CERTA wensen wij u allereerst een voorspoedig en succesvol nieuwjaar toe. Ook in 2026 staan wij weer voor u klaar om u wegwijs te maken in de belangrijkste ontwikkelingen in het arbeidsrecht en de praktische gevolgen voor uw organisatie.

I. Strengere handhaving op schijnzelfstandigheid
Hoewel 2025 bedoeld was als overgangsjaar zonder boetes, bleef er veel onduidelijkheid bestaan bij zowel zzp’ers als opdrachtgevers over de beoordeling van arbeidsrelaties. De minister ging daarom deels akkoord met de wens van de Tweede Kamer om de zogenoemde ‘zachte landing’ van afgelopen jaar te verlengen. Kamerleden benadrukten dat er nog altijd te veel onduidelijkheid was. In 2026 geldt dat boetes alleen worden opgelegd bij ernstige overtredingen. Organisaties doen er daarom verstandig aan hun contracten en de feitelijke werkwijze met zelfstandigen kritisch te evalueren en waar nodig aan te passen, in afwachting van nieuwe wetgeving die meer duidelijkheid moet bieden.

II. Transitievergoeding in 2026
In 2026 blijft de berekeningssystematiek van de transitievergoeding ongewijzigd: de vergoeding bedraagt 1/3 bruto maandsalaris per volledig dienstjaar, naar rato voor een deel van een jaar. Wel is het wettelijke maximumbedrag per 1 januari 2026 geïndexeerd.​

De maximale transitievergoeding bedraagt in 2026 € 102.000 bruto, tenzij het bruto jaarsalaris van de werknemer hoger is; in dat geval geldt het hogere jaarsalaris als maximum. Dit is een verhoging ten opzichte van 2025, toen het maximum € 98.000 bruto bedroeg

III. Minimumloon en indexatie
Het wettelijk minimumuurloon is per 1 januari 2026 gestegen naar € 14,71 bruto voor werknemers van 21 jaar en ouder. Ook de minimumlonen voor jongere werknemers worden aangepast volgens de gebruikelijke halfjaarlijkse indexatie.

IV. Thuiswerk- en reiskostenvergoeding
De onbelaste thuiswerkvergoeding in 2026 bedraagt na indexatie € 2,45 per dag. De maximale onbelaste reiskostenvergoeding blijft € 0,23 per kilometer. Werkgevers mogen per dag slechts één van beide vergoedingen uitkeren.

V. Loonkostenvoordeel 56+
Het loonkostenvoordeel voor oudere werknemers (56+) is vervallen voor dienstverbanden die vanaf 1 januari 2024 zijn aangegaan. Voor bestaande dienstverbanden blijft het voordeel van kracht.

VI. Arbeidsbeperkten
In 2026 wordt het makkelijker voor werkgevers met meer dan 25 werknemers personen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Het loonkostenvoordeel voor deze werknemers geldt nu zolang zij in dienst zijn, zonder dat een speciale verklaring van het UWV nodig is. Bovendien kan het voordeel hoger uitvallen wanneer een werkgever meer arbeidsbeperkten in dienst neemt dan volgens de quotumregeling verplicht is.

VII. Nieuwe cao voor uitzendkrachten
Vanaf 1 januari 2026 geldt een nieuwe cao voor uitzendkrachten. In deze cao zijn de arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten gelijkgesteld aan die van werknemers in vergelijkbare functies bij de inlener, waardoor gelijke beloning en bescherming wordt gewaarborgd.

VIII. Wetsvoorstellen en komende wijzigingen

  1. Wet VBAR (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden)
    Deze wet verduidelijkt wanneer iemand in loondienst is en wanneer iemand als zelfstandige werkt. Het doel is schijnzelfstandigheid te voorkomen. De beoogde ingangsdatum is 1 juli 2026, maar dat is afhankelijk van goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer.
  2. Versobering compensatie transitievergoeding bij langdurige ziekte
    Vanaf 1 juli 2026 krijgen alleen kleine werkgevers (minder dan 25 werknemers) recht op compensatie van de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor grotere werkgevers (25 of meer werknemers) vervalt dit recht.
  3. Verplichte gedragscode ongewenst gedrag
    Werkgevers met meer dan 10 werknemers worden verplicht een gedragscode op te stellen tegen ongewenst gedrag op het werk. Personeel moet op de hoogte worden gebracht van de regels en procedures. De beoogde ingangsdatum is 1 juli 2026.
  4. Wet meer zekerheid flexwerkers
    Dit wetsvoorstel is gericht op betere bescherming van flexwerkers, waaronder het afschaffen van nulurencontracten en het voorkomen van misbruik van de ketenregeling. Uitzendkrachten krijgen gelijke arbeidsvoorwaarden als vaste medewerkers bij de inlener. De beoogde ingangsdatum is 1 juli 2026 voor gelijke beloning en arbeidsvoorwaarden, en 1 januari 2027 voor de overige onderdelen.
  5. Richtlijn loontransparantie (EU)
    Nederlandse werkgevers moeten zich voorbereiden op de implementatie van deze richtlijn, die gericht is op het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. De richtlijn moet uiterlijk 1 januari 2027 in de Nederlandse wetgeving zijn verwerkt.
  6. Vereenvoudiging verlofstelsel
    De wetgever streeft naar een eenvoudiger verlofstelsel met drie hoofdcategorieën: zorg voor kinderen, zorg voor naasten en persoonlijk verlof. Het wetsvoorstel wordt in 2026 naar de Tweede Kamer gestuurd, met een verwachte ingangsdatum in 2028.

Conclusie: actie vereist
Werkgevers doen er verstandig aan te controleren of deze wijzigingen correct zijn doorgevoerd. Dit geldt zowel voor de inmiddels ingegane wettelijke aanpassingen, zoals het minimumloon en de thuiswerkvergoeding, als voor wijzigingen die voortvloeien uit nieuwe wetgeving. Tijdige aanpassing van HR-beleid en administratieve processen voorkomt problemen en boetes later in het jaar.

Bij vragen en voor ondersteuning bij de implementatie van deze wijzigingen, helpt CERTA u graag verder.

Namens het arbeidsrecht team,

Barbara Veldmaat, Serena Bank
[email protected]
Serena Bank
[email protected]

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 26
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV