• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Opinie

30 maart 2026

Omdat je verder wilt

Schijnzelfstandigheid: waar staan we?

Inleiding

Het onderwerp schijnzelfstandigheid houdt arbeidsrechtelijk Nederland al geruime tijd bezig. De aangekondigde herstart van de handhaving door de Belastingdienst per 1 januari 2025 zorgde voor flinke onrust bij opdrachtgevers en zelfstandigen. Veel bestaande zzp‑constructies zijn opnieuw tegen het licht gehouden en getoetst aan de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (Hoge Raad: X/Gemeente Amsterdam (2020), Deliveroo (2023) en Uber (2025)).

Die onrust bij organisaties is begrijpelijk. Het onderscheid tussen loondienst en zelfstandigheid is in de praktijk vaak niet scherp te trekken. Ondertussen zijn er meerdere ontwikkelingen gaande, zowel op het gebied van handhaving als in de wetgeving, die moeten zorgen voor meer rust en duidelijkheid. In dit artikel komen de belangrijkste lijnen aan bod.

Handhaving met een ‘zachte landing’
Om te voorkomen dat de herstart van de handhaving direct tot grote risico’s op sancties voor opdrachtgevers zou leiden, is gekozen voor een zogenoemde zachte landing.

Per 1 januari 2025 betekent dit dat de Belastingdienst wel correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen kan opleggen bij constatering van schijnzelfstandigheid, maar in beginsel niet over perioden vóór 1 januari 2025. Boetes worden nog niet opgelegd. In plaats daarvan wordt ingezet op een begeleidende aanpak. De Belastingdienst start doorgaans met een bedrijfsbezoek, gericht op overleg en het verbeteren van de werkwijze, in plaats van direct handhavend op te treden.

Deze verzachtende aanpak is gedeeltelijk verlengd tot eind 2026. Ook in dit kalenderjaar geldt dat de Belastingdienst bij een vermoeden van schijnzelfstandigheid meestal begint met een bedrijfsbezoek. Het doel blijft overleg en het aanpassen van de praktijk waar nodig. Verzuimboetes blijven ook dit jaar in beginsel achterwege. Wel kunnen vergrijpboetes worden opgelegd als sprake is van opzet of grove schuld. Daarnaast kan de Belastingdienst bij een controle een langere periode onderzoeken dan alleen het laatste aangiftetijdvak. Naheffingen blijven daarmee een reëel risico.

Per 1 januari 2027 vervalt de zachte landing volledig en worden arbeidsrelaties weer op reguliere wijze gehandhaafd.

Nieuwe wetgeving
Naast de handhaving wordt gewerkt aan wetgeving die meer duidelijkheid moet bieden over de kwalificatie van arbeidsrelaties.

Wet Vbar
De Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet Vbar) beoogt de bestaande rechtspraak wettelijk vast te leggen. Het wetsvoorstel bevat verduidelijkende criteria voor werknemerschap, zoals gezag en organisatorische inbedding, en criteria die juist duiden op zelfstandig ondernemerschap.

Daarnaast introduceert het voorstel een rechtsvermoeden van werknemerschap bij lage uurtarieven. Zzp’ers met een uurtarief tot € 38 (peildatum 1 januari 2026) kunnen zich daardoor eenvoudiger op het standpunt stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij de bewijslast voor het aantonen van het tegendeel bij de opdrachtgever ligt.

De Raad van State heeft zich kritisch uitgelaten over het voorstel en spreekt de verwachting uit dat het in de praktijk weinig extra duidelijkheid biedt. Het kabinet heeft inmiddels besloten het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar niet naar het parlement te sturen. Het onderdeel over het rechtsvermoeden bij lage tarieven blijft wel bestaan en wordt ondergebracht in de nieuwe Zelfstandigenwet.

Zelfstandigenwet
De aangekondigde Zelfstandigenwet kiest een andere insteek. De nadruk ligt minder op (her)kwalificatie achteraf en meer op rechtszekerheid vooraf. Centraal staat de vraag of partijen hun samenwerking als opdrachtovereenkomst mogen vormgeven.

 

Het beoogde toetsingskader bestaat uit meerdere elementen, waaronder:

  • een ondernemerstoets, waarin wordt gekeken of de werkende zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt (zoals ondernemersrisico, meerdere opdrachtgevers en tariefvrijheid);
  • een werkrelatietoets, die ziet op de feitelijke inrichting van het werk, zoals vrijheid in de uitvoering en de afwezigheid van hiërarchisch gezag;
  • mogelijke sectorale rechtsvermoedens en vormen van voorafgaande beoordeling, om in specifieke sectoren meer houvast te bieden.

De wet bevindt zich nog in de uitwerkingsfase. Het doel is om meer rust en voorspelbaarheid te brengen in een praktijk waarin opdrachtgevers de afgelopen jaren steeds terughoudender zijn geworden.

 

Tot slot
De handhaving op schijnzelfstandigheid is inmiddels op gang gekomen, terwijl de gewenste verduidelijking via wetgeving nog op zich laat wachten. Het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar is van tafel. De Zelfstandigenwet moet nog langs beide Kamers en zowel de inhoud als de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2026 is daarmee nog onzeker.

Voor organisaties is afwachten geen verstandige strategie. Zeker nu de verzachtende handhavingsmaatregelen per 1 januari 2027 eindigen, is het raadzaam om zzp‑constructies tijdig juridisch te laten toetsen. Een gerichte juridische check vooraf voorkomt fikse naheffingen en boete bij een controle en zorgt voor duidelijkheid en rust binnen de organisatie. Dat is doorgaans efficiënter – en uiteindelijk goedkoper – dan achteraf moeten repareren.

Certa advocaten denkt graag (tijdig) met je mee over wat deze ontwikkelingen voor jouw organisatie betekenen. Ben je benieuwd? Neem dan contact op met Sharif Ali of Matthijs Bos.

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

23 maart 2026

Omdat je verder wilt

Verrekening vóór datum faillissement. Curator versus de bank. Discussie over artikel 54 Fw. Wie trekt aan het langste eind?

Recent, op 13 maart 2026, heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de toepassing van artikel 54 Fw (verrekening) bij binnenkomende betalingen op de bankrekening van een rekeninghouder in het zicht van faillissement. Volgens de curator heeft de bank in strijd met artikel 54 Fw gehandeld door een specifieke betaling te verrekenen, wat niet had gemogen. De bank ziet dit anders. Wat de Hoge Raad vindt, lees je later in dit artikel.

Waar gaat de (feitelijke) kwestie over?
Voordat we bij het inhoudelijke debat uitkomen, is het belangrijk om de feiten te schetsen. De onderneming waar het om gaat, is een café-restaurant. Het restaurant werd vanaf februari 2017 door de Rabobank gefinancierd (rekening-courantverhouding). De kredietruimte was EUR 25.000. Het restaurant heeft als gevolg van de COVID-19-crisis haar deuren moeten sluiten. Vervolgens is het faillissement op 17 april 2020 (bij eigen aangifte) aangevraagd en op 21 april 2020 is het faillissement uitgesproken. Vanaf dat moment staat de curator aan het roer.

Voor datum faillissement heeft het restaurant bij het UWV de welbekende NOW-subsidie ten behoeve van de loonkosten aangevraagd. Het UWV heeft de subsidie op 10 april 2020 toegekend. De eerste betaaltermijn à EUR 15.478 is op 14 april 2020 bijgeschreven. Het saldo op de rekening van het restaurant was op dat moment negatief. De Rabobank heeft de betaling verrekend met haar vordering, waardoor het negatieve saldo lager is geworden. Vervolgens zijn er tussen 14 april 2020 en 21 april 2020 nog diverse betalingen (op instructie van het restaurant) verricht, zodat per datum faillissement het saldo (fors) verder onder de nul terecht is gekomen.

De curator heeft vanaf datum faillissement inzage in de bankrekening(en) en transacties, waaronder dus de bijschrijving vanuit het UWV zoals hiervoor aangehaald. Volgens de curator heeft de Rabobank in strijd gehandeld met artikel 54 lid 1 Fw. De curator heeft dan ook verzocht EUR 15.478 naar de boedelrekening over te maken. De Rabobank heeft niet aan dit verzoek voldaan. De curator laat het er niet bij zitten en start een procedure met als doel: betaling aan de boedel van in totaal EUR 15.748.

Het juridisch kader: artikel 54 Fw
De curator is van mening, zoals hiervoor opgemerkt, dat de handelswijze van de Rabobank in strijd is met artikel 54 Fw. Doel en strekking van deze bepaling is om misbruik van verrekening te voorkomen en (ongerechtvaardigde) bevoordeling van bepaalde schuldeisers tegen te gaan. Maar wat is er in dit artikel bepaald? Kort samengevat het volgende:

  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering vóór datum faillissement van een derde is overgenomen en je niet te goeder trouw was; en
  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering ná datum faillissement is overgenomen.

In dit geval gaat het om de situatie zoals onder (i) genoemd. Ter verduidelijking nog het volgende. Het begrip derde wordt ruim gehanteerd. Hieronder vallen ook bankbetalingen en rekening-courantverhoudingen. Dat is vaste rechtspraak. Wanneer ben je dan niet te goeder trouw in de verrekening? Dat is het geval als je weet of behoorde te weten dat het faillissement te verwachten viel. Dan mag je dus niet verrekenen.

Wat is het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof?
De rechtbank oordeelde dat (in deze situatie) artikel 54 Fw inderdaad aan verrekening in de weg kan staan, maar wees de vordering van de curator af omdat – wat haar betreft – niet vaststond dat de Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw.

Het gerechtshof is het met de beslissing van de rechtbank eens en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Volgens het gerechtshof is artikel 54 Fw niet geschreven voor de situatie waarin inkomende betalingen (feitelijk) worden opgesoupeerd door latere betalingsopdrachten vanuit de rekeninghouder. Daar komt de vrees voor maatschappelijke gevolgen bij. Als de uitgaande betalingsopdrachten (in opdracht van de rekeninghouder) uiteindelijk voor rekening van de bank komen, gaan banken in financiële noodsituaties eerder het betalingsverkeer blokkeren. Dat is schadelijk voor de schuldeisers en de bedrijfscontinuïteit. Feitelijk creëert het gerechtshof met deze redenering een nieuwe uitzondering op het strikte verbod van verrekening van artikel 54 Fw.

De curator is het niet met het arrest van het gerechtshof eens en gaat in cassatie. Kort gezegd de reden: de nieuwe uitzondering (ten gunste van de banken) is in strijd met vaste rechtspraak en daarvoor heeft het gerechtshof geen goede gronden gegeven.

Wat vindt de Hoge Raad?
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 54 Fw helder is en er geen ruimte bestaat voor het maken van een uitzondering in deze situatie. Dit wordt als volgt uitgelegd. Als een derde betaalt op de bankrekening van de schuldenaar, wordt de bank (door creditering) schuldenaar van de rekeninghouder. In beginsel mag de bank binnen de rekening-courantverhouding verrekenen. Wanneer niet? Als de bank niet te goeder trouw is. Dat is wanneer zij wist of behoorde te weten dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten was (peilmoment). Uitgaande betalingen maken de situatie voor de bank niet anders. De Hoge Raad besluit dan ook tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof en verwijst naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.

Tot slot
De Hoge Raad benadrukt een belangrijk principe, namelijk dat het girale betalingsverkeer geen uitzonderingspositie voor banken ten opzichte van andere schuldeisers rechtvaardigt. De Hoge Raad gaat dus voor rechtszekerheid en gelijkheid van schuldeisers, terwijl het gerechtshof oog heeft willen hebben voor de maatschappelijke belangen. Die vlieger gaat niet op.

Kort en goed: artikel 54 Fw is duidelijk en ruimte voor het maken van een uitzondering is er, bij (latere) uitgaande betalingen, in ieder geval niet. Niet te goeder trouw in de zin van artikel 54 Fw is “gewoon” niet te goeder trouw. Voor de gezamenlijke schuldeisers in een faillissement is dit goed nieuws. Voor banken is dit natuurlijk minder goed nieuws.

Vragen over deze uitspraak of andere faillissementsrechtelijke kwesties? Neem dan gerust contact op met Macy Weij of een van onze andere specialisten. Een tijdig advies kan het verschil maken.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

10 maart 2026

Omdat je verder wilt

Debiteurenbeheer: misschien niet de leukste bezigheid, maar wel erg nuttig en belangrijk

We kennen allemaal die gedachte: die openstaande debiteuren, daar moet ik eigenlijk achteraan, maar dat doe ik liever op een ander moment. Op zich begrijpelijk, maar betaalachterstanden lopen op deze manier sneller op en blijven langer openstaan. Er worden nu eenmaal wel eens facturen over het hoofd gezien, waardoor betaling uitblijft. Hoe langer je wacht met het versturen van een herinnering, hoe groter de kans dat jouw (onbetaalde) factuur onderaan de stapel belandt. Hierdoor verslechtert je positie als crediteur.

Dat zien wij terug bij (ver)huurders en vastgoedbeheerders, maar ook bij handelsondernemingen en natuurlijke personen met een onderneming. De vraag is daarom niet of je moet handelen, maar wanneer.

Het kernprobleem: niets doen en uitstelgedrag ondermijnen het dossier
Waar een betalingsachterstand voorheen vaak tijdelijk was, zien wij nu structureel uitstel. Debiteuren reageren niet of nauwelijks, komen betalingsregelingen niet na en laten nieuwe (huur)termijnen onbetaald. Met name bij achterstallige huurincasso’s kan dit snel leiden tot meerdere maanden achterstand, zonder dat enige actie is ondernomen.

Uitstel wordt vaak ingegeven door de wens om de relatie te behouden en/of door onzekerheid over juridische mogelijkheden. In de praktijk leidt dit juist tot verlies van regie en afnemende verhaalsmogelijkheden aan de zijde van de schuldeiser. Bovendien wil je voorkomen dat bij debiteuren de gedachte ontstaat dat niet of te laat betalen wordt geaccepteerd en dat deze tactiek dus werkt.

Hoe zit het juridisch ook alweer op hoofdlijnen?
Het is aan te bevelen om in contracten en algemene voorwaarden een duidelijke betalingstermijn op te nemen, zodat hierover geen discussie kan ontstaan. Europese richtlijnen schrijven voor dat de maximale betalingstermijn bij handelstransacties tussen bedrijven 60 dagen bedraagt, tenzij tussen partijen afwijkende afspraken worden gemaakt. Als er geen contract is, geldt een betalingstermijn van 30 dagen. Overheden en instanties moeten hun leveranciers eveneens binnen 30 dagen betalen.

Voor consumententransacties geldt geen vaste betalingstermijn, maar deze moet wel redelijk zijn. In de praktijk wordt een betalingstermijn tussen de 7 en 30 dagen als redelijk beschouwd. Voordat je incassokosten aan consumenten in rekening kunt brengen, moet een zogenaamde 14‑dagenbrief worden gestuurd. Hiermee krijgt de consument nog 14 dagen de tijd om de factuur vrijwillig en zonder kosten te voldoen.

Het is aan te raden om dit proces op een duidelijke en gestandaardiseerde wijze in te richten en de brief per aangetekende post te versturen. Dat klinkt misschien ouderwets, maar zo kan er geen discussie ontstaan over de vraag of de brief wel of niet is ontvangen.

Zekerheden inbouwen
Bij grotere transacties is het aan te raden om, waar mogelijk, zekerheden te bedingen en deze juridisch goed vast te leggen. De meest voorkomende zekerheden zijn een hypotheek op vastgoed of een pandrecht op roerende zaken, zoals handelsvoorraden en bedrijfsinventaris. Daarnaast is in de meeste leverancierscontracten een eigendomsvoorbehoud opgenomen.

Soms zijn dit soort zekerheden echter niet mogelijk of te omslachtig. In dat geval kan het een oplossing zijn om meerdere betrokken partijen het contract als medeschuldeiser hoofdelijk te laten mee tekenen, zodat zij ook aansprakelijk kunnen worden gehouden voor de volledige betaling. Een vordering op een lege B.V. die verder geen verhaal biedt, brengt immers een groot risico op niet‑betaling met zich mee.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van meerdere debiteuren moet wel zorgvuldig worden vastgelegd. Niets is vervelender dan achteraf te constateren dat een dergelijke vorm van zekerheid uiteindelijk niet kan worden afgedwongen. Als schuldeiser sta je dan mogelijk alsnog met lege handen.

Buitengerechtelijke incasso: effectief, mits duidelijke grenzen worden gesteld
Als een schuldenaar de vordering niet vrijwillig betaalt, kan een buitengerechtelijk incassotraject uitkomst bieden. Dit traject is bedoeld om betaling te verkrijgen zonder tussenkomst van de rechter. Dat werkt echter alleen wanneer vooraf duidelijke grenzen worden gesteld.

In veel dossiers ontbreekt een concreet escalatiemoment, worden betalingsregelingen niet juridisch correct vastgelegd of onvoldoende gemonitord en blijft het traject door sudderen zonder consequenties. Het gevolg is dat het gerechtelijke incassotraject en eventueel beslaglegging uiteindelijk alsnog nodig zijn, maar dan met een minder sterk dossier. Uiteraard is het hierbij van belang om bedongen zekerheden tijdig in stelling te brengen en daadwerkelijk uit te winnen.

Op tijd overschakelen naar gerechtelijke incasso
Het is belangrijk om een duidelijk beleid te hebben en daar ook naar te handelen. Met een sterk dossier kan dan tijdig een procedure aanhangig worden gemaakt, bijvoorbeeld via een bodemprocedure, kort geding of beslagleggingsprocedure. Wij zien echter dat deze stappen vaak pas worden gezet wanneer de achterstand al fors is opgelopen en de kans op verhaal is afgenomen.

Voor woningcorporaties en vastgoedbeheerders is dit extra relevant. De Wet goed verhuurderschap beschermt huurders tegen misstanden zoals discriminatie. Daarnaast zijn verhuurders verplicht om een huurachterstand te melden bij de gemeente, mits de huurder geen bezwaar heeft gemaakt tegen het verstrekken van zijn of haar persoonsgegevens. Wanneer dit niet gebeurt, kan dit gevolgen hebben voor de beoordeling van een ontbindingsverzoek. Dan is al het werk aan een zorgvuldig en goed dossier mogelijk voor niets geweest.

Praktische tips voor het behouden van regie

  • Stel vooraf vast hoelang het buitengerechtelijke traject duurt en wanneer wordt doorgeschakeld;
  • Leg betalingsregelingen schriftelijk en juridisch correct vast en monitor deze actief;
  • Zorg voor een volledig dossier (overeenkomst, aanmaningen, correspondentie en zekerheden);
  • Bewaar het recht op kostenverhaal door wettelijk correct te starten; en
  • Overweeg tijdig het starten van een gerechtelijk incassotraject en beslaglegging als verhaal dreigt te verdwijnen.

Conclusie
Of het nu gaat om het innen van zakelijke vorderingen, achterstallige huur of het voeren van procedures: correcte dossieropbouw en timing zijn cruciaal. Een helder incassobeleid, duidelijke escalatiemomenten en actieve monitoring voorkomen dat vorderingen onnodig blijven liggen en uiteindelijk onbetaald blijven. Wees daarom actief in je debiteurenbeheer en geef zaken tijdig uit handen wanneer het zelf niet lukt.

Certa Advocaten adviseert en procedeert regelmatig over incasso, betalingsregelingen en zekerheden. Wil je sparren over je incassobeleid (bijvoorbeeld het opstellen van een stroomschema) of over een concreet dossier waarin betaling uitblijft? Neem dan gerust contact op met Macy Weij, Fatima Imbouh of Seerp Gratama. Wij kijken graag (tijdig) met je mee.

Geplaatst in: Incasso, Opinie

2 februari 2026

Omdat je verder wilt

Faillissement Geesink Norba definitief afgerond

Eind 2023 sprak de rechtbank Midden-Nederland het faillissement uit van vuilniswagenfabrikant Geesink Norba Holding B.V. en vier gelieerde vennootschappen in Emmeloord. De groep had vestigingen in diverse Europese landen en ongeveer 400 medewerkers, waarvan 250 in Nederland.

Oorzaken van het faillissement
Het bedrijf kampte al jaren met financiële problemen door een verlieslatende exploitatie, gebrek aan centrale sturing en veel wisselingen in management en aandeelhouders.

De prijzen van de vuilniswagens waren te laag ten opzichte van de hoge productiekosten, waardoor te weinig marge kon worden gemaakt. Ook het intensieve gebruik van externe adviseurs zorgde voor hoge kosten.

Interne conflicten leidden vlak voor het faillissement nog tot een kostbare enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer.

Voortzetting en doorstart
De curator heeft de werkzaamheden tijdelijk voortgezet om het onderhanden werk af te ronden en activa te verkopen.

Diverse vuilniswagens konden nog worden afgebouwd en uitgeleverd aan klanten in binnen- en buitenland. Openstaande vorderingen op debiteuren konden grotendeels worden geïncasseerd.

Per 1 januari 2024 zijn de activiteiten en bedrijfsmiddelen van Geesink overgenomen door Haller Benelux B.V., onderdeel van het Duitse Zoeller Kipper, samen met het Spaanse bedrijf Palvi S.L.

Ook het bedrijfspand in Emmeloord en de Spaanse fabriek in Sevilla zijn bij de overname betrokken. Dankzij deze doorstart kon een groot deel van het personeel aan het werk blijven.

Crediteurenakkoord en afwikkeling
Na de verificatievergaderingen in december 2024 en juni 2025 ontvingen alle crediteuren volledige betaling als onderdeel van een aangeboden crediteurenakkoord.

Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat de aandeelhouders van Geesink bereid waren een aanzienlijke vordering bij het crediteurenakkoord buiten beschouwing te laten.

Hierdoor konden alle crediteuren volledig worden voldaan. Eind 2025 heeft de rechtbank het eindverslag goedgekeurd en is het faillissement definitief afgerond.

Seerp Gratama, voormalig curator

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

15 januari 2026

Omdat je verder wilt

Mag een derde-belanghebbende een bestuurlijke boete aanvechten? De tijd zal het leren.

Inleiding
Bij bestuurlijke boetes komt de overtreder rechtsbescherming toe. De vraag of een derde als belanghebbende daartegen kan optreden is al een lange tijd onduidelijk. In een conclusie van 10 december 2025 geeft staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven richting aan deze discussie. Hieronder lees je kort waar het vraagstuk om draait en wat het mogelijk voor de handhavingsprakrijk voor bestuursorganen zal betekenen.

De zaak in het kort
FNV verstrekt informatie aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over mogelijke overtredingen van Europese rij- en rusttijdenregels door een Litouwse transportonderneming. De ILT heeft deze informatie meegenomen bij haar eigen onderzoek en legde uiteindelijk een bestuurlijke boete op.

FNV verzocht om als derdebelanghebbende te worden aangemerkt in de boeteprocedure en wilde bezwaar kunnen maken tegen het boetebesluit. De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees dit verzoek af, omdat het bestraffende karakter geen ruimte voor derden biedt. De rechtbank Midden-Nederland volgde dat standpunt.

In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vroeg de voorzitter om een conclusie over de principiële vraag of een derde belanghebbende kan zijn bij een besluit tot oplegging of weigering van een bestuurlijke boete?.

Juridisch kader
Het belanghebbende begrip staat hier centraal: “Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, kan bezwaar en beroep instellen.”

Bestuurlijke boetes hebben een bijzonder karakter. Zij zijn bestraffend van aard en kwalificeren als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Dat brengt extra waarborgen met zich voor de overtreder. Te denken valt aan het recht op een eerlijk proces. De vraag is of dit punitieve karakter zich verzet tegen deelname van derden aan de procedure.

Overwegingen conclusie
Volgens Widdershoven bestaat er kort gezegd geen principiële uitsluiting van derden bij bestuurlijke boetes. Het feit dat een boete bestraffend is, betekent niet automatisch dat niemand anders dan de overtreder belanghebbende kan zijn. Doorslaggevend blijft of wordt voldaan aan de wettelijke criteria van het belanghebbende-begrip.

Maar daarbij is een belangrijk onderscheid. Een derde kan in ieder geval belanghebbende zijn bij een besluit om geen boete op te leggen, wanneer dat besluit is genomen naar aanleiding van een handhavingsverzoek van die derde. In zo’n situatie kan het uitblijven van sanctionering gevolgen hebben voor de naleving van de norm in de toekomst.

Ook bij de oplegging van een boete kan onder omstandigheden sprake zijn van een derde-belanghebbende. Dat is met name het geval wanneer de boete het directe gevolg is van een handhavingsverzoek en een derde een eigen, persoonlijk of collectief belang heeft dat rechtstreeks door het boetebesluit wordt geraakt.

Voor belangenorganisaties geldt bovendien dat hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden voldoende specifiek moeten zijn gericht op het belang dat door het boetebesluit wordt geraakt.

Widdershoven benadrukt dat terughoudendheid geboden is. De processuele rechten van de overtreder moeten worden beschermd. Denk daarbij aan de vertrouwelijkheid van stukken en het beginsel van ‘equality of arms’.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
De conclusie is een belangrijk advies aan de Afdeling. Niet het punitieve karakter van de bestuurlijke boete is beslissend, maar de vraag of een derde voldoet aan de eisen van het belanghebbende-begrip. Als de Afdeling bestuursrechtspraak deze lijn volgt, ontstaat meer ruimte voor de rechtsbescherming van derden in handhavingszaken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de fundamentele waarborgen voor de overtreder.

Voor de praktijk zou dit kunnen gaan betekenen dat het bestuursorgaan niet langer zonder meer kan volstaan met het standpunt dat bij boetes geen derde-belanghebbende bestaan. Met name bij boetes die volgen op handhavingsverzoeken van belangenorganisaties zal zorgvuldiger moeten worden beoordeeld of er sprake is van een rechtstreeks betrokken belang. Het is nu aan de Afdeling om hierover een definitief oordeel te vellen. Wij houden je op de hoogte. Vragen over handhaving? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 januari 2026

Omdat je verder wilt

Pied-à-terre-regeling in Amsterdam: wat verandert er in 2026 voor de tweede woning?

Inleiding
De gemeente Amsterdam voert per 2026 een regeling in voor het gebruik van woonruimte als tweede woning. Beter bekend als de pied-à-terre regeling. Met deze wijziging beoogt de gemeente de schaarse woningvoorraad beter te beschermen en het structureel gebruik van woningen als tweede verblijf verder te beperken. De nieuwe regeling heeft verstrekkende gevolgen voor huidige en toekomstige eigenaren en gebruikers van een pied-à-terre in Amsterdam. In dit artikel lees je kort wat de nieuwe regels inhouden, welke voorwaarden gelden en voor wie het overgangsrecht van toepassing is.

Achtergrond en doel van de regeling
De gemeenteraad van Amsterdam heeft ervoor gekozen het gebruik van een woning als tweede woning expliciet aan te merken als een vorm van onttrekking van woonruimte. Daarmee wordt het pied-à-terre niet langer gezien als een randverschijnsel, maar als een reguleringswaardig gebruik dat direct raakt aan de beschikbaarheid van woonruimte voor reguliere bewoners.

Nieuw vergunningsstelsel voor tweede woningen
Een vergunning kan uitsluitend worden verleend indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de woning geen deel uitmaken van de sociale huurvoorraad of de middeldure huurvoorraad. Daarnaast moet de aanvrager zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam hebben en mag hij of zij niet beschikken over meer dan één tweede woning binnen de gemeente.

Het vereiste van noodzaak
Zelfs wanneer aan alle algemene voorwaarden is voldaan, wordt een vergunning alleen verleend als de aanvrager binnen één van de opgesomde categorieën valt. Eén voorbeeld hiervan is dat de aanvrager in Amsterdam werkt en daarvoor minimaal twee nachten per week gedurende ten minste zes maanden in de stad verblijft.

Wie niet onder één van deze categorieën valt, komt niet aanmerking voor een vergunning, ongeacht persoonlijke omstandigheden of de mate waarin de woning feitelijk wordt gebruikt.

Duur en karakter van de vergunning
De vergunning voor het gebruik als tweede woning wordt verleend voor maximaal drie jaar. Aan de vergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder het verbod om de woning te verhuren of door derden te laten gebruiken.

Overgangsrecht: bescherming van bestaande situaties
Voor personen die hun woning reeds in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 als tweede woning gebruikten en die voldoen aan de voorwaarden is een overgangsregeling.

Conclusie en gevolgen praktijk
Met de nieuwe pied-à-terre-regeling kiest de gemeente Amsterdam nadrukkelijk voor een restrictief beleid. Het gebruik van een tweede woning wordt vanaf 2026 de uitzondering in plaats van de regel en is alleen toegestaan bij noodzaak. Met name het limitatieve karakter van de noodzaakcriteria en het persoonsgebonden karakter van de vergunning maken dat veel bestaande en potentiële pied-à-terre-eigenaren hun positie opnieuw zullen moeten beoordelen.

Valt u als eigenaar of gebruiker van een tweede woning in Amsterdam onder het overgangsrecht, en kunt u op lange termijn aan de nieuwe voorwaarden blijven voldoen? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 26
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV