• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

CERTA

9 oktober 2026

Omdat je verder wilt

Eigenrichting en huurrecht

Eigenrichting
De definitie van eigenrichting komt neer op het recht in eigen hand nemen. Dat is bijna altijd niet toegestaan. Er is sprake van verboden eigenrichting als bijvoorbeeld een achterstallige betaling wordt geïnd met een knokploeg. Maar is er sprake van eigenrichting als een verhuurder in verband met een huurachterstand zijn verplichting om het gehuurde aan de huurder ter beschikking te stellen opschort door de sloten te vervangen???

Uitgangspunt
In het huurrecht is het uitgangspunt dat het niet toelaatbaar is als een verhuurder eigenhandig de sloten vervangt om zo de huurder een voet dwars te zetten. Het ene slot is echter het andere niet. Wat was het geval?

Huurachterstand
In de zaak waarover de Hoge Raad oordeelde was sprake van de verhuur van een bedrijfsruimte (bestaande uit twee units) die per juni 2016 voor vijf jaar zijn verhuurd. Vanaf januari 2019 stopte de huurder met het betalen van de huur. In mei 2019 verlaat de huurder de units, terwijl de huurovereenkomst door partijen niet is beëindigd (en op grond van de afspraken doorloopt tot juni 2021). De verhuurder heeft er na het vertrek bij de huurder op aangedrongen om de units op te ruimen en om de sleutels in te leveren. Daar is door de huurder niet op gereageerd, zodat de verhuurder de sloten heeft vervangen. De verhuurder heeft daarna aan de huurder laten weten dat de huurder geen toegang meer tot het gehuurde krijgt. In antwoord daarop heeft de huurder een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring uitgebracht omdat de verhuurder het gehuurde niet meer ter beschikking stelde.

Procedure
Eigenrichting gaat er vaak mee gepaard dat de rechter buiten beeld blijft, maar in dit geval liep dat anders omdat de verhuurder een procedure begint om betaling te krijgen. De tegeneis van de huurder is voor recht te verklaren dat de verhuurder onrechtmatig heeft gehandeld door de sloten te vervangen. De zaak komt uiteindelijk bij de hoogste rechter terecht.

Hoge Raad - Opschortingsrecht
De Hoge Raad wijst er op dat de zaak er door wordt gekenmerkt dat de huurder is opgehouden de huur te betalen en het gehuurde heeft verlaten. De opvatting van de huurder dat de verhuurder de sloten desondanks niet mag vervangen is niet juist. De verplichting tot het verschaffen van het huurgenot enerzijds en het betalen van de huur anderzijds zijn immers tegenover elkaar staande verplichtingen. Er bestaat volgens de Hoge Raad geen rechtsregel dat de verhuurder geen opschortingsbevoegdheid toekomt op de grond dat de verhuurder bij na het eventuele aanzuiveren van de huurachterstand, niet alsnog het huurgenot over de periode van de opschorting kan verschaffen. Ook de regel dat ontbinding van een huurovereenkomst met betrekking tot bedrijfsruimte slechts door de rechter kan geschieden kan evenmin in de weg staan aan het aannemen van een bevoegdheid van de verhuurder tot opschorting van zijn verplichting tot het verschaffen van huurgenot aan de huurder.

Sloten vervangen bij huurachterstand na het verlaten van het gehuurde mag dus.

Vragen over huurachterstanden, opschorting of de rechten van verhuurders en huurders?
De grenzen van eigenrichting zijn niet altijd duidelijk. Wilt u weten wat in uw situatie wel en niet is toegestaan? Neem dan contact op met Rogier Visser. Hij helpt u graag verder.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Vastgoedrecht

2 oktober 2026

Omdat je verder wilt

Voor procesbelang is meer nodig dan een principiële discussie

Inleiding
Wanneer heeft een bestuursorgaan procesbelang en kan het procederen bij de bestuursrechter? Het uitgangspunt is dat het procesbelang aanwezig is wanneer in hoger beroep geprocedeerd wordt over de uitleg van een planregel nadat een rechtbank een besluit heeft vernietigd. Daarbij speelt mee dat een rechterlijk oordeel gevolgen kan hebben voor toekomstige besluiten en daarmee precedentwerking kan hebben. Dat uitgangspunt kent echter uitzonderingen. In haar uitspraak van 19 augustus 2026 bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) dat ook in dergelijke gevallen sprake moet blijven van een voldoende concreet, reëel en actueel procesbelang. Hieronder lees je de uitspraak in het kort en wat de gevolgen zijn voor de procespraktijk.

De uitspraak in het kort
Het college van B&W van Molenlanden verleende een omgevingsvergunning voor de bouw van 22 bedrijfsunits. Nadat de rechtbank had geoordeeld dat het college een planregel onjuist had uitgelegd, stelde het college hoger beroep in. Tijdens de procedure trok het bedrijf de vergunningsaanvraag in en werd de grond verkocht aan de gemeente. Volgens het college bleef een uitspraak van belang voor toekomstige gevallen.

De Afdeling oordeelt anders. Omdat geen concreet geschil meer bestond en niet aannemelijk was dat een uitspraak nog gevolgen zou hebben voor een lopende of toekomstige besluitvorming, ontbrak een voldoende actueel procesbelang. Daarbij acht de Afdeling van belang dat geen aanvraag meer voorlag waarop de planregel moest worden toegepast en dat ook geen andere procedures speelden waarin dezelfde uitleg van belang was. Bovendien beschikte het college over andere mogelijkheden om in toekomstige gevallen met de planregel om te gaan, bijvoorbeeld via een afwijkingsprocedure of een wijziging van de planregel. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
De uitspraak laat zien dat het uitgangspunt dat een bestuursorgaan procesbelang heeft bij een hoger beroep over de uitleg van een planregel niet onbegrensd is. Ook wanneer een principieel of juridisch belang bestaat bij beantwoording van een rechtsvraag, blijft een voldoende concreet en actueel procesbelang vereist. De bestuursrechter is daarbij niet bedoeld voor de beantwoording van abstracte rechtsvragen. Valt het onderliggende geschil tijdens de procedure weg, dan zal aannemelijk moeten worden gemaakt dat een uitspraak nog betekenis heeft voor lopende of voorzienbare besluitvorming. Een belang bij rechtsvorming of duidelijkheid voor toekomstige gevallen is daarvoor onvoldoende.

Voor gemeenten en andere bestuursorganen betekent dit dat kritisch moet worden beoordeeld of een procedure nog zinvol is wanneer de feiten tijdens het geding veranderen. Wie een procedure wil voortzetten, zal moeten kunnen aanwijzen welk concreet belang daarmee nog wordt gediend. Ontbreekt die koppeling met een lopende of voorzienbare besluitvormingssituatie, dan ontbreekt het procesbelang en blijft een inhoudelijk oordeel uit.

Heb je te maken met een bestuursrechtelijke procedure? Neem dan contact met ons op. Certa helpt je graag verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht

14 september 2026

Omdat je verder wilt

Schade door een onrechtmatig overheidsbesluit: wanneer is schadevergoeding mogelijk?

Een onrechtmatig besluit van een gemeente, provincie of ander bestuursorgaan kan grote gevolgen hebben. Denk aan een ten onrechte geweigerde omgevingsvergunning, een vernietigd handhavingsbesluit of een ingetrokken vergunning die een project vertraagt. De financiële schade kan aanzienlijk zijn. Maar wanneer draait de overheid daarvoor op? In dit artikel bespreken wij wanneer een schadeclaim mogelijk is en welke obstakels daarbij een rol spelen.

Wanneer is sprake van een onrechtmatig overheidsbesluit?
De regels over aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen zijn opgenomen in artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW). Deze regels gelden ook voor de overheid. Voor een succesvolle schadeclaim moet sprake zijn van een onrechtmatig besluit dat aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. Daarnaast moet de geschonden norm strekken tot bescherming van het getroffen belang (relativiteitsvereiste), moet causaal verband bestaan tussen het besluit en de schade en moet daadwerkelijk schade zijn geleden.

Besluitaansprakelijkheid begint met een onrechtmatig besluit. Daarvan is in ieder geval sprake als de bestuursrechter een besluit vernietigt na bezwaar en beroep. De onrechtmatigheid en toerekenbaarheid staan dan in beginsel vast. Ook een bestuursorgaan kan een besluit intrekken of herroepen. Daaruit volgt niet automatisch dat het besluit onrechtmatig was. Doorslaggevend zijn de redenen daarvoor.

Formele rechtskracht: wanneer strandt een schadeclaim?
Een belangrijk begrip binnen de besluitaansprakelijkheid is de formele rechtskracht van een besluit. Heeft bezwaar en beroep niet geleid tot vernietiging of herroeping? Of is geen gebruik gemaakt van deze rechtsmiddelen? Dan moet de rechter er in beginsel van uitgaan dat het besluit rechtmatig is. Dit is een belangrijk aandachtspunt. Wie een besluit onherroepelijk laat worden, loopt het risico dat een latere schadeclaim daarop afstuit. Tijdig bezwaar en beroep instellen is daarom vaak essentieel.

Relativiteit: beschermt de geschonden norm uw belang?
Een onrechtmatig besluit leidt niet automatisch tot aansprakelijkheid. De geschonden norm moet strekken tot bescherming van het getroffen belang. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd. De rechter kijkt daarbij naar het doel en de strekking van de norm. Bij vergunningaanvragers en andere directe geadresseerden levert dit vereiste doorgaans weinig problemen op. Dat ligt minder voor de hand bij derden die slechts indirect door een onrechtmatig besluit worden geraakt.

Causaal verband bij schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit
Een ander belangrijk discussiepunt is het causaal verband. Het enkele feit dat een besluit onrechtmatig is, betekent niet dat alle schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechter onderzoekt of ook een rechtmatig besluit tot dezelfde schade zou hebben geleid. Is dat het geval, dan ontbreekt het vereiste causale verband en hoeft het bestuursorgaan de schade niet te vergoeden.

Welke schade kan op de overheid worden verhaald?
Het Burgerlijk Wetboek onderscheidt vermogensschade en ander nadeel. Veelal gaat het om vermogensschade, zoals projectvertraging, extra advieskosten, hogere financieringslasten, gemiste inkomsten of waardevermindering. De schade wordt begroot door de werkelijke situatie te vergelijken met de situatie die zonder het onrechtmatige besluit zou hebben bestaan.

Bestuursrechter of civiele rechter?
Voor schadeclaims wegens onrechtmatige besluiten kunnen zowel de bestuursrechter als de civiele rechter een rol spelen. Uitgangspunt is dat de bestuursrechter op grond van artikel 8:89 Algemene wet bestuursrecht bevoegd is om schadeclaims wegens onrechtmatige besluiten te beoordelen. Bij schadeclaims tot € 25.000 bestaat in beginsel keuzevrijheid tussen beide rechters. Bij hogere schadeclaims is uitsluitend de civiele rechter bevoegd. Een verzoeker kan in dat geval ook zijn vordering beperken tot € 25.000 om eerst gebruik te maken van de bestuursrechtelijke procedure. De civiele rechter is voor het bedrag daarboven niet gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter. Wel geldt dat de bestuursrechter niet langer bevoegd is zodra de zaak bij de civiele rechter aanhangig is gemaakt. Wisselen van spoor is dan niet meer mogelijk.

Welke route het meest geschikt is, hangt af van de omstandigheden van het geval. De bestuursrechtelijke procedure is doorgaans laagdrempeliger en goedkoper. De civiele procedure biedt daarentegen meer mogelijkheden om een vordering op maat in te richten, bijvoorbeeld bij complexe of omvangrijke geschillen.

Conclusie
Een onrechtmatig besluit kan leiden tot aanzienlijke financiële schade. Toch leidt niet ieder vernietigd of herroepen besluit automatisch tot aansprakelijkheid van de overheid. Voor een succesvolle schadeclaim moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan, zoals het tijdig inzetten van rechtsmiddelen en het kunnen aantonen van de schade. Daarom is het belangrijk om al tijdens bezwaar- en beroepsprocedures oog te hebben voor de mogelijke schade en de bewijspositie. Ook de keuze tussen de bestuursrechter en de civiele rechter kan van invloed zijn op de wijze waarop schade het beste kan worden verhaald. Wie daar tijdig op anticipeert, vergroot de kans op een succesvolle schadeclaim.

Heb je te maken met schade als gevolg van een vernietigd, herroepen of onrechtmatig overheidsbesluit? Of wil je weten of een schadeclaim kansrijk is? Neem dan contact met ons op. Certa helpt je graag verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht

23 juli 2026

Omdat je verder wilt

Samenloop – wat zegt het recht en hoe werkt het in de procespraktijk?

Onrechtmatige daad is misschien wel het belangrijkste leerstuk van het Nederlandse recht. Er is al een keer uitvoerig bij stilgestaan in Fietsend van Lindenbaum/Cohen uit 1919 naar het Afzinkkelder arrest van 12 januari 2024 - CERTA.  Onrechtmatige daad wordt vaak geassocieerd met situaties waarin partijen niet met elkaar hebben gecontracteerd, maar dat betekent niet dat een contractuele relatie een beroep op onrechtmatige daad uitsluit.

In de vastgoedpraktijk komt ook regelmatig de vraag op of een partij naast wanprestatie ook uit onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een aannemer die zijn contractuele verplichtingen niet nakomt en tegelijkertijd schade veroorzaakt aan eigendommen van de opdrachtgever of derden, of aan een verkoper van vastgoed die belangrijke informatie achterhoudt Dwaling - CERTA. Wat zegt ons recht hierover en hoe werkt dit in de procespraktijk?

Onrechtmatige daad
De wet bepaalt dat er drie situaties zijn die een onrechtmatige daad kunnen opleveren: inbreuk maken op een recht (bijvoorbeeld iemands eigendom beschadigen), een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht (zoals door rood rijden en een aanrijding veroorzaken) en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit laatste wordt meestal samengevat als onzorgvuldig handelen.

Als daarnaast ook aan de overige vereisten is voldaan, zoals schade en causaal verband tussen de gedraging en die schade, is sprake van een volledige onrechtmatige daad en kan aanspraak bestaan op schadevergoeding.

Samenloop 1
Het kan voorkomen dat een partij voor dezelfde feiten een beroep kan doen op meerdere juridische grondslagen. Er ontstaat dan samenloop. In het algemeen geldt als uitgangspunt dat meerdere, op zichzelf toepasselijke rechtsgronden naast elkaar kunnen worden ingeroepen.

Daarop bestaan echter uitzonderingen.

De eerste uitzondering doet zich voor wanneer de verschillende rechtsgronden leiden tot rechtsgevolgen die niet naast elkaar kunnen bestaan. In dat geval zal de eiser een keuze moeten maken.

Een tweede uitzondering is dat niet kan worden geshopt met wettelijke termijnen. Het feit dat een vordering uit onrechtmatige daad soms een langere verjaringstermijn kent dan een bijzondere wettelijke regeling, betekent niet dat die bijzondere regeling kan worden omzeild.

Een bekend voorbeeld betreft aanvaringen. De specifieke verjaringstermijnen die daarvoor gelden kunnen niet worden ontlopen door dezelfde feiten tevens als onrechtmatige daad aan te merken.

Een soortgelijke uitkomst geldt bij koop. Als een koper zich op het standpunt stelt dat het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt en dat vervolgens presenteert als een onrechtmatige daad, blijft de klachtplicht die bij koop geldt onverminderd van toepassing. Voor vastgoedtransacties kan dit van grote betekenis zijn wanneer discussie ontstaat over gebreken of onjuiste informatieverstrekking rondom de aankoop van vastgoed.

Samenloop 2
Onrechtmatige daad wordt ook wel buitencontractuele aansprakelijkheid genoemd. Met wanprestatie wordt bedoeld dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en een van hen tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst.

In geval van wanprestatie is de schending van de rechtsplicht tevens een schending van een verbintenis. Op die situatie zijn daarom de wettelijke bepalingen over toerekenbaar tekortschieten van toepassing. Dat volgt expliciet uit de parlementaire geschiedenis.

Dat betekent echter niet dat onrechtmatige daad in een contractuele verhouding nooit een rol kan spelen. Integendeel, een gedraging kan naast wanprestatie tevens een onrechtmatige daad opleveren. Tegenover een contractuele wederpartij is slechts sprake van een onrechtmatige daad indien de verweten gedraging ook los van de contractuele tekortkoming als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Met andere woorden: er moet meer aan de hand zijn dan uitsluitend het niet nakomen van een contractuele verplichting.

Dat leidde tot een recente uitspraak van de Hoge Raad.

Arrest Hoge Raad 17 juli 2026
In deze recente uitspraak van de Hoge Raad https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1295 gaat het over diverse verklaringen voor recht en veroordelingen tot schadevergoeding wegens wanprestatie dan wel onrechtmatige daad.

Het gerechtshof had de vorderingen gebaseerd op wanprestatie afgewezen. Hetzelfde gebeurde met de vordering uit onrechtmatige daad. Het hof overwoog terecht dat een vordering uit onrechtmatige daad naast een vordering uit wanprestatie kan bestaan. Uit het leerstuk van samenloop weten we dat dat mogelijk is.

Vervolgens stelde het hof vast dat de eiser dezelfde feiten en omstandigheden had aangevoerd ter onderbouwing van zowel de wanprestatie als de onrechtmatige daad. Volgens het hof bestond daarom geen ruimte om op grond van de gestelde onrechtmatige daad anders te oordelen dan over de wanprestatie.

Daar gaat het volgens de Hoge Raad mis.

Uit het leerstuk van samenloop volgt namelijk dat de afwijzing van een op wanprestatie gebaseerde vordering niet zonder meer betekent dat ook een vordering uit onrechtmatige daad moet worden afgewezen. In deze zaak was de vordering uit wanprestatie afgewezen omdat het vereiste verzuim ontbrak. Dat oordeel staat echter niet automatisch in de weg aan een afzonderlijke beoordeling van de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad.

De Hoge Raad benadrukt daarmee dat beide grondslagen zelfstandig moeten worden beoordeeld.

Voor de procespraktijk is dat een belangrijk aandachtspunt. Ook in vastgoedgeschillen kan het voorkomen dat een contractuele vordering strandt, terwijl nog steeds moet worden onderzocht of dezelfde feiten een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad opleveren.

Conclusie
Samenloop houdt in dat een vordering uit onrechtmatige daad naast een contractuele vordering kan bestaan, mits de gestelde gedraging ook los van de contractuele tekortkoming als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

Het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026 bevestigt dat afwijzing van een vordering wegens wanprestatie niet zonder meer meebrengt dat ook een vordering uit onrechtmatige daad strandt. Beide grondslagen moeten afzonderlijk worden beoordeeld.

Voor de vastgoedpraktijk kan dat van groot belang zijn. Bij geschillen over bouwprojecten, koopovereenkomsten, verborgen gebreken of informatieverstrekking tijdens vastgoedtransacties verdient het aanbeveling steeds te onderzoeken of naast een contractuele grondslag ook een zelfstandige grondslag uit onrechtmatige daad aanwezig is. In de procespraktijk kan dat het verschil maken tussen afwijzing en toewijzing van een vordering.

Heb je vragen over aansprakelijkheid, wanprestatie of onrechtmatige daad in de vastgoedpraktijk? Rogier Visser helpt je graag verder.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

13 juli 2026

Omdat je verder wilt

Minder parkeren, meer wonen: de Afdeling geeft gemeenten ruimte

Wonen zonder parkeerplaats: wanneer is een parkeernorm van 0 mogelijk bij woningbouw?
De behoefte aan nieuwe woningen is groot. Tegelijkertijd is de beschikbare ruimte om parkeergelegenheid te realiseren in stedelijke gebieden beperkt. Bij binnenstedelijke woningbouw en vastgoedontwikkelingen ontstaat daardoor een spanningsveld tussen de wens om meer woningen te realiseren en de vraag waar toekomstige bewoners kunnen parkeren. Voor vastgoedeigenaren, projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers van woningbouwprojecten kan een hoge parkeereis de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van een project onder druk zetten. Gemeenten kiezen daarom regelmatig voor een vraagsturend parkeerbeleid, waarbij niet volledig wordt voorzien in de parkeerbehoefte volgens de CROW-kentallen.

De uitspraak in het kort
In de uitspraak van 3 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3171) ging het over de transformatie van een voormalig kantoorgebouw naar een woongebouw met 420 woningen in Leiden. Daarnaast voorziet het plan in commerciële voorzieningen. In het bestemmingsplan werd de parkeernorm voor toekomstige bewoners op 0 gesteld. Bezoekers van bewoners en bezoekers en werknemers van de commerciële functies moesten wel gebruik kunnen maken van de bestaande parkeergarage. Bewoners van de naastgelegen wijk vrezen dat zij parkeeroverlast zullen ervaren. Het college zou volgens hen onvoldoende hebben gemotiveerd dat het op 0 stellen van de parkeernorm niet tot onevenredige parkeerhinder in de naastgelegen wijk zal leiden.

De Afdeling volgt dit betoog niet. Daarbij acht zij onder andere van belang dat het plangebied binnen een betaald parkeergebied ligt, goed bereikbaar is met het openbaar vervoer en de fiets en toekomstige bewoners geen bewoners- of parkeervergunning kunnen krijgen. Daarnaast weegt mee dat de gemeente de parkeerdruk blijft monitoren en zo nodig aanvullende maatregelen kan nemen als de parkeerdruk te hoog wordt. Uit de uitspraak volgt dat een parkeernorm van 0 niet onmogelijk is, mits dit goed wordt onderbouwd. De Afdeling kijkt bij de beoordeling vooral of de keuze voor een lagere parkeernorm voldoende is ingebed in het ruimtelijke beleid, mobiliteitsbeleid en de specifieke omstandigheden van het gebied.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Voor vastgoedeigenaren en projectontwikkelaars biedt deze uitspraak kansen. Een parkeernorm van 0 kan bijdragen aan de haalbaarheid van binnenstedelijke woningbouw, transformatieprojecten en andere vastgoedontwikkelingen. Tegelijkertijd vraagt dit om een zorgvuldige voorbereiding en onderbouwing.

In de praktijk is het belangrijk om al in een vroeg stadium een parkeerstrategie op te stellen. Daarbij moet goed worden onderbouwd dat het project niet leidt tot onevenredige parkeerhinder in de omliggende wijken. Ook blijft van belang dat de gekozen parkeernorm aansluit bij het parkeer- en mobiliteitsbeleid van de gemeente en de kenmerken van de locatie. Zo kan het op 0 zetten van de parkeernorm een bruikbaar instrument zijn om woningbouw en binnenstedelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

Neem contact met Werner of Roza op voor een summer check of de parkeernorm op 0 kan worden gezet voor jouw project.

Geplaatst in: Bestuursrecht

29 mei 2026

Omdat je verder wilt

Het belang van de juiste termijnen

In de praktijk lijkt het overzichtelijk: een termijn is een termijn. Toch kan het juist in perioden met feestdagen fout gaan. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.

Verlenging bij weekend- en feestdagen
Vaak wordt er vanuit gegaan dat een termijn die eindigt op een weekend- of feestdag automatisch wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Dat klopt in veel gevallen: de Algemene termijnenwet bepaalt dat een wettelijke termijn dan wordt verlengd. Van belang is dat dit uitgangspunt alleen geldt voor wettelijke termijnen. Contractuele termijnen (zoals overeengekomen opzegtermijnen) vallen hier dus in beginsel niet onder, tenzij partijen daar zelf iets over hebben geregeld. Nog belangrijker is dat deze regel uitzonderingen heeft en die zijn minder bekend.

Uitzonderingen
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op alle termijnen. Zo geldt de verlenging van een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt niet voor termijnen die worden berekend door terug te rekenen vanaf een bepaald tijdstip of een bepaalde gebeurtenis. Ook geldt zij niet voor langere termijnen, zoals termijnen van meer dan drie maanden. In die gevallen verschuift de einddatum dus niet, maar eindigt de termijn gewoon op de laatste dag zelf. Tot slot is van belang dat niet iedere feestdag een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet is.

Fatale termijn van zes maanden in het huurrecht
Een van de uitzondering was ook aan de orde in een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2026:4514, Rechtbank Amsterdam, 12079223 \ KK EXPL 26-75). Het ging in deze zaak om een ingestelde vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst na het overlijden van de huurder. Degene die met na het overlijden van de huurder in de woning achterblijft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, kan een dergelijke vordering binnen zes maanden na het overlijden instellen. De huurder is op 6 oktober 2025 overleden, zodat de termijn van zes maanden in dit geval op 6 april 2026 verliep. Dat was dit jaar Tweede Paasdag. De vordering was echter pas op 7 april 2026 ingesteld. De vraag die voorlag is of de termijn in dit geval werd verlengd tot de eerstvolgende dag die geen feestdag is. In de uitspraak benadrukt de rechtbank dat toepassing van de Algemene termijnenwet afhankelijk is van de duur van de termijn. De termijn voor het instellen van een vordering tot voortzetting van de huur na overlijden is omschreven in maanden en de Algemene termijnenwet geldt niet voor termijnen van meer dan drie maanden. De conclusie is dat de vordering een dag te laat is ingesteld.

Les voor de praktijk
De hiervoor genoemde uitspraak leert dat men beter het zekere voor het onzekere kan nemen en dat het bij het bepalen van de termijn veiliger is om niet uit te gaan van een verlenging. Neem de laatste dag van de termijn als uitgangspunt en zorg dat de termijn uiterlijk op die dag (of eerder) wordt veiliggesteld. Of controleer per geval of een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt daadwerkelijk wordt verlengd of dat één van de uitzonderingen geldt, want de gevolgen van een onjuiste aanname kunnen groot zijn.

Meer informatie over termijn of huurrecht? Neem contact op met Louise Strating.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 22
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV