• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

CERTA

16 april 2026

Omdat je verder wilt

Waardering van aandelen conform de Leidraad van de Ondernemingskamer

Inleiding
In 2025 is de aangepaste geschillenregeling (2:336a BW e.v.) in werking getreden. Zie daarover mijn eerdere artikel. In die procedure bij de Ondernemingskamer, kan een aandeelhouder vrijwillig uittreden of daartoe worden gedwongen en speelt de waardering van aandelen een belangrijke rol. Dat geldt vaak ook voor geschillen tussen aandeelhouders buiten de geschillenregeling om.

De Ondernemingskamer heeft een Leidraad vastgesteld die ingaat op belangrijke knelpunten bij de waardering van aandelen. De Leidraad geeft daarmee richting aan de prijsbepaling in de geschillenregeling (artikel 2:343c BW) en bevordert zo de rechtszekerheid voor partijen die gebruik (willen) maken van de geschillenregeling. De Leidraad kan echter ook nuttig zijn als aandeelhouders er op een andere manier proberen uit te komen. Deze bijdrage gaat in op een aantal belangrijke punten uit de Leidraad voor de waardering van aandelen.

Uitgangspunten voor de waardering
De opdracht van de waarderingsdeskundige is om te bepalen wat de waarde van de over te dragen aandelen of certificaten op een bepaalde datum is. De Ondernemingskamer kan de waarderingsdeskundige ook vragen bepaalde onderwerpen (zoals gedragingen van een bestuurder of aandeelhouder) die van invloed kunnen zijn geweest op de waarde in zijn onderzoek te betrekken. Het doel van het rapport van de waarderingsdeskundige is om de Ondernemingskamer in staat te stellen een reële en redelijke vergoeding voor de aandelen of certificaten vast te stellen, dat wil zeggen een prijs die in redelijke verhouding tot de waarde van de onderneming staat.

De Leidraad geeft als uitgangspunten voor de waardering:

  • De waarde van het aandelenbelang wordt vastgesteld op een pro rata parte deel van 100% van de aandelen of certificaten. In beginsel wordt er dus geen minderheidskorting of meerderheidsopslag toegepast.
  • De onderneming wordt zelfstandig (stand alone) en op dezelfde wijze (going concern) voortgezet.
  • De peildatum is in beginsel het moment waarop de Ondernemingskamer beslist op het verzoek tot uittreding of uitstoting.
  • Voor de waardering wordt de Discounted Cash Flow (DCF)-methode (of een variant daarvan) gebruikt. Daarbij worden de verwachte toekomstige geldstromen contant gemaakt. De deskundige mag dit combineren met andere methoden ter kruiscontrole of afwijken van de DCF-methode als hij toelicht waarom een andere grondslag leidt tot een betere bepaling van een reële en redelijke vergoeding voor de aandelen.
  • Bepalingen over de waardering in de statuten of aandeelhoudersovereenkomst worden meegenomen in de waardering, tenzij toepassing daarvan zou leiden tot een onredelijke uitkomst.

Medewerkingsplicht
Partijen moeten de deskundige in staat stellen zijn werk goed te doen door hem toegang te geven tot alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die hij relevant acht voor het onderzoek. Dit kan ook gelden voor andere nauw verbonden vennootschappen. Relevante gegevens kunnen ook interne rapportages en notities, managementinformatie, gespreksverslagen, notulen, correspondentie, e-mails en berichten die zijn verzonden via sociale media zijn. Als een partij zijn medewerking weigert, dan kan de raadsheer-commissaris (die vanuit de Ondernemingskamer toeziet op het deskundigenonderzoek) hem bevelen tot medewerking en ook kan de Ondernemingskamer aan die weigering consequenties verbinden.

Vertrouwelijkheid
Omdat de deskundige toegang krijgt tot vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie is het van belang dat de vertrouwelijkheid is gewaarborgd. Uiteraard is de deskundige tot geheimhouding verplicht, maar dat geldt ook voor de andere betrokken partijen. De deskundige hoeft niet altijd alle informatie met alle betrokken partijen te delen en niemand mag mededelingen doen over het waarderingsrapport.

Hoor en wederhoor
De deskundige zal partijen zo goed mogelijk in staat stellen zich uit te laten over zijn bevindingen. Met andere woorden: de bevindingen van de deskundige moeten herleidbaar en toetsbaar zijn. Als de deskundige toegang zich baseert informatie die vanwege de vertrouwelijkheid daarvan niet aan alle partijen ter beschikking staat, dan kan een partij daar bezwaar tegen maken en zal de Ondernemingskamer kunnen beslissen dat die vertrouwelijke informatie alsnog moet worden gedeeld of buiten beschouwing moet worden gelaten.

Conclusie
Indien u meer informatie wilt over de geschillenregeling bij de Ondernemingskamer of zich in een situatie bevindt waarbij aandelen moeten worden gewaardeerd, neem dan contact op met Robin de Jong

Geplaatst in: Ondernemingsrecht, Opinie

28 maart 2026

Omdat je verder wilt

Hittebestendig bouwen en de grenzen van de huidige bouwregelgeving

Voor het vakblad Bouwen met Kwaliteit (PONT) schreven onze kantoorgenoten Werner en Roza samen met Saskia Hegeman, Theo Haytink en Johan Kaspers van Nieman Raadgevende Ingenieurs, een verdiepend artikel over zomercomfort en hittebestendig bouwen.

In het artikel wordt duidelijk dat de huidige bouwregelgeving op meerdere punten kwetsbaar is. Zo sluiten gebruikte klimaatdata onvoldoende aan op toekomstige omstandigheden, ontbreken specifieke regels voor bestaande bouw en botsen hittemaatregelen in de praktijk regelmatig met andere eisen, zoals daglichttoetreding en beeldkwaliteit.

De bijdrage brengt regelgeving, technische inzichten en juridische vraagstukken samen en laat zien waarom integrale samenwerking tussen disciplines essentieel is om gebouwen toekomstbestendig te ontwerpen en risico’s in het bouwproces te beperken.

Het volledige artikel is hieronder te lezen.

.

Geplaatst in: Bestuursrecht

23 maart 2026

Omdat je verder wilt

Verrekening vóór datum faillissement. Curator versus de bank. Discussie over artikel 54 Fw. Wie trekt aan het langste eind?

Recent, op 13 maart 2026, heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de toepassing van artikel 54 Fw (verrekening) bij binnenkomende betalingen op de bankrekening van een rekeninghouder in het zicht van faillissement. Volgens de curator heeft de bank in strijd met artikel 54 Fw gehandeld door een specifieke betaling te verrekenen, wat niet had gemogen. De bank ziet dit anders. Wat de Hoge Raad vindt, lees je later in dit artikel.

Waar gaat de (feitelijke) kwestie over?
Voordat we bij het inhoudelijke debat uitkomen, is het belangrijk om de feiten te schetsen. De onderneming waar het om gaat, is een café-restaurant. Het restaurant werd vanaf februari 2017 door de Rabobank gefinancierd (rekening-courantverhouding). De kredietruimte was EUR 25.000. Het restaurant heeft als gevolg van de COVID-19-crisis haar deuren moeten sluiten. Vervolgens is het faillissement op 17 april 2020 (bij eigen aangifte) aangevraagd en op 21 april 2020 is het faillissement uitgesproken. Vanaf dat moment staat de curator aan het roer.

Voor datum faillissement heeft het restaurant bij het UWV de welbekende NOW-subsidie ten behoeve van de loonkosten aangevraagd. Het UWV heeft de subsidie op 10 april 2020 toegekend. De eerste betaaltermijn à EUR 15.478 is op 14 april 2020 bijgeschreven. Het saldo op de rekening van het restaurant was op dat moment negatief. De Rabobank heeft de betaling verrekend met haar vordering, waardoor het negatieve saldo lager is geworden. Vervolgens zijn er tussen 14 april 2020 en 21 april 2020 nog diverse betalingen (op instructie van het restaurant) verricht, zodat per datum faillissement het saldo (fors) verder onder de nul terecht is gekomen.

De curator heeft vanaf datum faillissement inzage in de bankrekening(en) en transacties, waaronder dus de bijschrijving vanuit het UWV zoals hiervoor aangehaald. Volgens de curator heeft de Rabobank in strijd gehandeld met artikel 54 lid 1 Fw. De curator heeft dan ook verzocht EUR 15.478 naar de boedelrekening over te maken. De Rabobank heeft niet aan dit verzoek voldaan. De curator laat het er niet bij zitten en start een procedure met als doel: betaling aan de boedel van in totaal EUR 15.748.

Het juridisch kader: artikel 54 Fw
De curator is van mening, zoals hiervoor opgemerkt, dat de handelswijze van de Rabobank in strijd is met artikel 54 Fw. Doel en strekking van deze bepaling is om misbruik van verrekening te voorkomen en (ongerechtvaardigde) bevoordeling van bepaalde schuldeisers tegen te gaan. Maar wat is er in dit artikel bepaald? Kort samengevat het volgende:

  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering vóór datum faillissement van een derde is overgenomen en je niet te goeder trouw was; en
  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering ná datum faillissement is overgenomen.

In dit geval gaat het om de situatie zoals onder (i) genoemd. Ter verduidelijking nog het volgende. Het begrip derde wordt ruim gehanteerd. Hieronder vallen ook bankbetalingen en rekening-courantverhoudingen. Dat is vaste rechtspraak. Wanneer ben je dan niet te goeder trouw in de verrekening? Dat is het geval als je weet of behoorde te weten dat het faillissement te verwachten viel. Dan mag je dus niet verrekenen.

Wat is het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof?
De rechtbank oordeelde dat (in deze situatie) artikel 54 Fw inderdaad aan verrekening in de weg kan staan, maar wees de vordering van de curator af omdat – wat haar betreft – niet vaststond dat de Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw.

Het gerechtshof is het met de beslissing van de rechtbank eens en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Volgens het gerechtshof is artikel 54 Fw niet geschreven voor de situatie waarin inkomende betalingen (feitelijk) worden opgesoupeerd door latere betalingsopdrachten vanuit de rekeninghouder. Daar komt de vrees voor maatschappelijke gevolgen bij. Als de uitgaande betalingsopdrachten (in opdracht van de rekeninghouder) uiteindelijk voor rekening van de bank komen, gaan banken in financiële noodsituaties eerder het betalingsverkeer blokkeren. Dat is schadelijk voor de schuldeisers en de bedrijfscontinuïteit. Feitelijk creëert het gerechtshof met deze redenering een nieuwe uitzondering op het strikte verbod van verrekening van artikel 54 Fw.

De curator is het niet met het arrest van het gerechtshof eens en gaat in cassatie. Kort gezegd de reden: de nieuwe uitzondering (ten gunste van de banken) is in strijd met vaste rechtspraak en daarvoor heeft het gerechtshof geen goede gronden gegeven.

Wat vindt de Hoge Raad?
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 54 Fw helder is en er geen ruimte bestaat voor het maken van een uitzondering in deze situatie. Dit wordt als volgt uitgelegd. Als een derde betaalt op de bankrekening van de schuldenaar, wordt de bank (door creditering) schuldenaar van de rekeninghouder. In beginsel mag de bank binnen de rekening-courantverhouding verrekenen. Wanneer niet? Als de bank niet te goeder trouw is. Dat is wanneer zij wist of behoorde te weten dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten was (peilmoment). Uitgaande betalingen maken de situatie voor de bank niet anders. De Hoge Raad besluit dan ook tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof en verwijst naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.

Tot slot
De Hoge Raad benadrukt een belangrijk principe, namelijk dat het girale betalingsverkeer geen uitzonderingspositie voor banken ten opzichte van andere schuldeisers rechtvaardigt. De Hoge Raad gaat dus voor rechtszekerheid en gelijkheid van schuldeisers, terwijl het gerechtshof oog heeft willen hebben voor de maatschappelijke belangen. Die vlieger gaat niet op.

Kort en goed: artikel 54 Fw is duidelijk en ruimte voor het maken van een uitzondering is er, bij (latere) uitgaande betalingen, in ieder geval niet. Niet te goeder trouw in de zin van artikel 54 Fw is “gewoon” niet te goeder trouw. Voor de gezamenlijke schuldeisers in een faillissement is dit goed nieuws. Voor banken is dit natuurlijk minder goed nieuws.

Vragen over deze uitspraak of andere faillissementsrechtelijke kwesties? Neem dan gerust contact op met Macy Weij of een van onze andere specialisten. Een tijdig advies kan het verschil maken.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

15 januari 2026

Omdat je verder wilt

Mag een derde-belanghebbende een bestuurlijke boete aanvechten? De tijd zal het leren.

Inleiding
Bij bestuurlijke boetes komt de overtreder rechtsbescherming toe. De vraag of een derde als belanghebbende daartegen kan optreden is al een lange tijd onduidelijk. In een conclusie van 10 december 2025 geeft staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven richting aan deze discussie. Hieronder lees je kort waar het vraagstuk om draait en wat het mogelijk voor de handhavingsprakrijk voor bestuursorganen zal betekenen.

De zaak in het kort
FNV verstrekt informatie aan de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) over mogelijke overtredingen van Europese rij- en rusttijdenregels door een Litouwse transportonderneming. De ILT heeft deze informatie meegenomen bij haar eigen onderzoek en legde uiteindelijk een bestuurlijke boete op.

FNV verzocht om als derdebelanghebbende te worden aangemerkt in de boeteprocedure en wilde bezwaar kunnen maken tegen het boetebesluit. De minister van Infrastructuur en Waterstaat wees dit verzoek af, omdat het bestraffende karakter geen ruimte voor derden biedt. De rechtbank Midden-Nederland volgde dat standpunt.

In hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vroeg de voorzitter om een conclusie over de principiële vraag of een derde belanghebbende kan zijn bij een besluit tot oplegging of weigering van een bestuurlijke boete?.

Juridisch kader
Het belanghebbende begrip staat hier centraal: “Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is, kan bezwaar en beroep instellen.”

Bestuurlijke boetes hebben een bijzonder karakter. Zij zijn bestraffend van aard en kwalificeren als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Dat brengt extra waarborgen met zich voor de overtreder. Te denken valt aan het recht op een eerlijk proces. De vraag is of dit punitieve karakter zich verzet tegen deelname van derden aan de procedure.

Overwegingen conclusie
Volgens Widdershoven bestaat er kort gezegd geen principiële uitsluiting van derden bij bestuurlijke boetes. Het feit dat een boete bestraffend is, betekent niet automatisch dat niemand anders dan de overtreder belanghebbende kan zijn. Doorslaggevend blijft of wordt voldaan aan de wettelijke criteria van het belanghebbende-begrip.

Maar daarbij is een belangrijk onderscheid. Een derde kan in ieder geval belanghebbende zijn bij een besluit om geen boete op te leggen, wanneer dat besluit is genomen naar aanleiding van een handhavingsverzoek van die derde. In zo’n situatie kan het uitblijven van sanctionering gevolgen hebben voor de naleving van de norm in de toekomst.

Ook bij de oplegging van een boete kan onder omstandigheden sprake zijn van een derde-belanghebbende. Dat is met name het geval wanneer de boete het directe gevolg is van een handhavingsverzoek en een derde een eigen, persoonlijk of collectief belang heeft dat rechtstreeks door het boetebesluit wordt geraakt.

Voor belangenorganisaties geldt bovendien dat hun statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden voldoende specifiek moeten zijn gericht op het belang dat door het boetebesluit wordt geraakt.

Widdershoven benadrukt dat terughoudendheid geboden is. De processuele rechten van de overtreder moeten worden beschermd. Denk daarbij aan de vertrouwelijkheid van stukken en het beginsel van ‘equality of arms’.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
De conclusie is een belangrijk advies aan de Afdeling. Niet het punitieve karakter van de bestuurlijke boete is beslissend, maar de vraag of een derde voldoet aan de eisen van het belanghebbende-begrip. Als de Afdeling bestuursrechtspraak deze lijn volgt, ontstaat meer ruimte voor de rechtsbescherming van derden in handhavingszaken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de fundamentele waarborgen voor de overtreder.

Voor de praktijk zou dit kunnen gaan betekenen dat het bestuursorgaan niet langer zonder meer kan volstaan met het standpunt dat bij boetes geen derde-belanghebbende bestaan. Met name bij boetes die volgen op handhavingsverzoeken van belangenorganisaties zal zorgvuldiger moeten worden beoordeeld of er sprake is van een rechtstreeks betrokken belang. Het is nu aan de Afdeling om hierover een definitief oordeel te vellen. Wij houden je op de hoogte. Vragen over handhaving? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 januari 2026

Omdat je verder wilt

Pied-à-terre-regeling in Amsterdam: wat verandert er in 2026 voor de tweede woning?

Inleiding
De gemeente Amsterdam voert per 2026 een regeling in voor het gebruik van woonruimte als tweede woning. Beter bekend als de pied-à-terre regeling. Met deze wijziging beoogt de gemeente de schaarse woningvoorraad beter te beschermen en het structureel gebruik van woningen als tweede verblijf verder te beperken. De nieuwe regeling heeft verstrekkende gevolgen voor huidige en toekomstige eigenaren en gebruikers van een pied-à-terre in Amsterdam. In dit artikel lees je kort wat de nieuwe regels inhouden, welke voorwaarden gelden en voor wie het overgangsrecht van toepassing is.

Achtergrond en doel van de regeling
De gemeenteraad van Amsterdam heeft ervoor gekozen het gebruik van een woning als tweede woning expliciet aan te merken als een vorm van onttrekking van woonruimte. Daarmee wordt het pied-à-terre niet langer gezien als een randverschijnsel, maar als een reguleringswaardig gebruik dat direct raakt aan de beschikbaarheid van woonruimte voor reguliere bewoners.

Nieuw vergunningsstelsel voor tweede woningen
Een vergunning kan uitsluitend worden verleend indien aan alle voorwaarden wordt voldaan. Zo mag de woning geen deel uitmaken van de sociale huurvoorraad of de middeldure huurvoorraad. Daarnaast moet de aanvrager zijn hoofdverblijf buiten Amsterdam hebben en mag hij of zij niet beschikken over meer dan één tweede woning binnen de gemeente.

Het vereiste van noodzaak
Zelfs wanneer aan alle algemene voorwaarden is voldaan, wordt een vergunning alleen verleend als de aanvrager binnen één van de opgesomde categorieën valt. Eén voorbeeld hiervan is dat de aanvrager in Amsterdam werkt en daarvoor minimaal twee nachten per week gedurende ten minste zes maanden in de stad verblijft.

Wie niet onder één van deze categorieën valt, komt niet aanmerking voor een vergunning, ongeacht persoonlijke omstandigheden of de mate waarin de woning feitelijk wordt gebruikt.

Duur en karakter van de vergunning
De vergunning voor het gebruik als tweede woning wordt verleend voor maximaal drie jaar. Aan de vergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder het verbod om de woning te verhuren of door derden te laten gebruiken.

Overgangsrecht: bescherming van bestaande situaties
Voor personen die hun woning reeds in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2025 als tweede woning gebruikten en die voldoen aan de voorwaarden is een overgangsregeling.

Conclusie en gevolgen praktijk
Met de nieuwe pied-à-terre-regeling kiest de gemeente Amsterdam nadrukkelijk voor een restrictief beleid. Het gebruik van een tweede woning wordt vanaf 2026 de uitzondering in plaats van de regel en is alleen toegestaan bij noodzaak. Met name het limitatieve karakter van de noodzaakcriteria en het persoonsgebonden karakter van de vergunning maken dat veel bestaande en potentiële pied-à-terre-eigenaren hun positie opnieuw zullen moeten beoordelen.

Valt u als eigenaar of gebruiker van een tweede woning in Amsterdam onder het overgangsrecht, en kunt u op lange termijn aan de nieuwe voorwaarden blijven voldoen? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

8 januari 2026

Omdat je verder wilt

Hoge Raad bevestigt: verplichting goed huurderschap geldt ook buiten de woning

Inleiding
De Hoge Raad heeft op 5 december 2025 bevestigd dat goed huurderschap niet beperkt blijft tot gedragingen in de woning (ECLI:NL:HR:2025:1858). Ook gedragingen van de huurder buiten de woning – zoals misdragingen op het kantoor van de verhuurder – kunnen een tekortkoming opleveren en ontruiming van de huurwoning rechtvaardigen, onder de voorwaarde dat er voldoende verband bestaat met de huurrelatie. Dit oordeel sluit aan bij eerdere rechtspraak waarin (bijvoorbeeld) agressie en intimidatie jegens medewerkers van verhuurder of omwonenden tot ontbinding of ontruiming kon leiden. Met de uitspraak is de lijn dat goed huurderschap ook buiten de voordeur doorwerkt wederom bevestigd.

Goed huurderschap
Bij goed huurderschap wordt vaak gedacht aan gedragingen in de woning. Het gaat echter verder. De regel verplicht de huurder zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Ook gedrag buiten de woning kan hier onder omstandigheden onder vallen.

In de meest recente zaak van de Hoge Raad was sprake van een huurder die graag een andere woning wilde huren. De huurder ging hiervoor echter zo ver dat hij herhaaldelijk naar het kantoor van de verhuurder is gegaan en zich daar heeft misdragen. Onder andere door zich in het bijzijn van de medewerkers uit te kleden en zichzelf met een scheermesje te verwonden. De politie heeft meerdere keren moeten ingrijpen. Gelet op de ernst van de gedragingen en de impact op de medewerkers heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. De tekortkoming is niet gering, nu het grote impact heeft (gehad) op de medewerkers. Het kantoor is ook meerdere weken gesloten door het incident. Het Hof heeft volgens de Hoge Raad terecht de ontruiming toegewezen.

De Hoge Raad bevestigt dat de huurder – naast zorg voor de woning - ook zorg moet dragen voor de woonomgeving. Om een ontbinding en/of ontruiming te kunnen toewijzen moet er wel voldoende verband bestaan met de huurovereenkomst.

Kortom: goed huurderschap houdt niet op bij de voordeur.
Heb je hier vragen over? Neem contact op met het Vastgoed team.

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 21
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV