• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Vastgoedrecht

29 mei 2026

Omdat je verder wilt

Het belang van de juiste termijnen

In de praktijk lijkt het overzichtelijk: een termijn is een termijn. Toch kan het juist in perioden met feestdagen fout gaan. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.

Verlenging bij weekend- en feestdagen
Vaak wordt er vanuit gegaan dat een termijn die eindigt op een weekend- of feestdag automatisch wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Dat klopt in veel gevallen: de Algemene termijnenwet bepaalt dat een wettelijke termijn dan wordt verlengd. Van belang is dat dit uitgangspunt alleen geldt voor wettelijke termijnen. Contractuele termijnen (zoals overeengekomen opzegtermijnen) vallen hier dus in beginsel niet onder, tenzij partijen daar zelf iets over hebben geregeld. Nog belangrijker is dat deze regel uitzonderingen heeft en die zijn minder bekend.

Uitzonderingen
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op alle termijnen. Zo geldt de verlenging van een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt niet voor termijnen die worden berekend door terug te rekenen vanaf een bepaald tijdstip of een bepaalde gebeurtenis. Ook geldt zij niet voor langere termijnen, zoals termijnen van meer dan drie maanden. In die gevallen verschuift de einddatum dus niet, maar eindigt de termijn gewoon op de laatste dag zelf. Tot slot is van belang dat niet iedere feestdag een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet is.

Fatale termijn van zes maanden in het huurrecht
Een van de uitzondering was ook aan de orde in een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2026:4514, Rechtbank Amsterdam, 12079223 \ KK EXPL 26-75). Het ging in deze zaak om een ingestelde vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst na het overlijden van de huurder. Degene die met na het overlijden van de huurder in de woning achterblijft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, kan een dergelijke vordering binnen zes maanden na het overlijden instellen. De huurder is op 6 oktober 2025 overleden, zodat de termijn van zes maanden in dit geval op 6 april 2026 verliep. Dat was dit jaar Tweede Paasdag. De vordering was echter pas op 7 april 2026 ingesteld. De vraag die voorlag is of de termijn in dit geval werd verlengd tot de eerstvolgende dag die geen feestdag is. In de uitspraak benadrukt de rechtbank dat toepassing van de Algemene termijnenwet afhankelijk is van de duur van de termijn. De termijn voor het instellen van een vordering tot voortzetting van de huur na overlijden is omschreven in maanden en de Algemene termijnenwet geldt niet voor termijnen van meer dan drie maanden. De conclusie is dat de vordering een dag te laat is ingesteld.

Les voor de praktijk
De hiervoor genoemde uitspraak leert dat men beter het zekere voor het onzekere kan nemen en dat het bij het bepalen van de termijn veiliger is om niet uit te gaan van een verlenging. Neem de laatste dag van de termijn als uitgangspunt en zorg dat de termijn uiterlijk op die dag (of eerder) wordt veiliggesteld. Of controleer per geval of een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt daadwerkelijk wordt verlengd of dat één van de uitzonderingen geldt, want de gevolgen van een onjuiste aanname kunnen groot zijn.

Meer informatie over termijn of huurrecht? Neem contact op met Louise Strating.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

8 januari 2026

Omdat je verder wilt

Hoge Raad bevestigt: verplichting goed huurderschap geldt ook buiten de woning

Inleiding
De Hoge Raad heeft op 5 december 2025 bevestigd dat goed huurderschap niet beperkt blijft tot gedragingen in de woning (ECLI:NL:HR:2025:1858). Ook gedragingen van de huurder buiten de woning – zoals misdragingen op het kantoor van de verhuurder – kunnen een tekortkoming opleveren en ontruiming van de huurwoning rechtvaardigen, onder de voorwaarde dat er voldoende verband bestaat met de huurrelatie. Dit oordeel sluit aan bij eerdere rechtspraak waarin (bijvoorbeeld) agressie en intimidatie jegens medewerkers van verhuurder of omwonenden tot ontbinding of ontruiming kon leiden. Met de uitspraak is de lijn dat goed huurderschap ook buiten de voordeur doorwerkt wederom bevestigd.

Goed huurderschap
Bij goed huurderschap wordt vaak gedacht aan gedragingen in de woning. Het gaat echter verder. De regel verplicht de huurder zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Ook gedrag buiten de woning kan hier onder omstandigheden onder vallen.

In de meest recente zaak van de Hoge Raad was sprake van een huurder die graag een andere woning wilde huren. De huurder ging hiervoor echter zo ver dat hij herhaaldelijk naar het kantoor van de verhuurder is gegaan en zich daar heeft misdragen. Onder andere door zich in het bijzijn van de medewerkers uit te kleden en zichzelf met een scheermesje te verwonden. De politie heeft meerdere keren moeten ingrijpen. Gelet op de ernst van de gedragingen en de impact op de medewerkers heeft het Hof volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. De tekortkoming is niet gering, nu het grote impact heeft (gehad) op de medewerkers. Het kantoor is ook meerdere weken gesloten door het incident. Het Hof heeft volgens de Hoge Raad terecht de ontruiming toegewezen.

De Hoge Raad bevestigt dat de huurder – naast zorg voor de woning - ook zorg moet dragen voor de woonomgeving. Om een ontbinding en/of ontruiming te kunnen toewijzen moet er wel voldoende verband bestaan met de huurovereenkomst.

Kortom: goed huurderschap houdt niet op bij de voordeur.
Heb je hier vragen over? Neem contact op met het Vastgoed team.

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

11 december 2025

Omdat je verder wilt

Belangen van het kind bij ontruiming: Hoge Raad geeft handvatten

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 prejudiciële vragen beantwoord over de rol van artikel 3 IVRK bij vorderingen tot ontruiming van woningen waar ook minderjarige kinderen in wonen. Art. 3 lid 1 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In de praktijk bestond geen eenduidige lijn over hoe zwaar de belangen van het kind moeten wegen bij ontbinding en ontruiming van woonruimte. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft daarom negen prejudiciële vragen gesteld, die met name betrekking hebben op de betekenis van ‘de eerste overweging’, de onderzoeksplicht van de rechter en de vraag of voorwaarden aan een ontruiming kunnen worden verbonden.

Prejudiciële vragen en overwegingen van de Hoge raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de belangen van het kind volgens art. 3 lid 1 IVRK  ‘de eerste overweging’ moeten vormen, maar niet doorslaggevend zijn. Dat betekent niet dat, als het belang van de kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering altijd moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
De rechter moet de belangen van het kind expliciet meewegen naast factoren als (i) de beschikbaarheid van alternatieve huisvesting, (ii) de ernst van de tekortkoming van de huurder en (iii) het belang van de verhuurder.

De rechter dient (eventueel ambtshalve) te onderzoeken of kinderen bij de ontruiming zijn betrokken en welke gevolgen de ontruiming voor hen heeft. De rechter is hierbij wel afhankelijk van de informatie die partijen verstrekken; het is niet zijn taak om contact te leggen met gemeentes en hulpverleningsinstanties.

De Hoge Raad maakt ook duidelijk dat de rechter de ontruiming kan afstemmen op de omstandigheden van het geval door bijvoorbeeld een langere ontruimingstermijn te geven of de uitspraak aan te houden om het zoeken naar alternatieve huisvesting te faciliteren. De Hoge Raad benadrukt daarbij dat het zorgen voor opvang niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort.

Conclusie
De belangen van het kind moeten bij de beoordeling van de rechter als “eerste overweging” in aanmerking worden genomen, maar blijven onderdeel van een bredere belangenafweging waarin ook de belangen van verhuurder en omwonenden een rol spelen. De rechter moet daarbij actief onderzoeken wat de gevolgen van een ontruiming zijn, zonder de procesrechtelijke grenzen te overschrijden. Omdat de uitkomst van de belangenafweging per ontruimingszaak steeds afhangt van alle omstandigheden van het geval, neemt de voorspelbaarheid daarvan met deze uitspraak niet toe. Van een duidelijke lijn is vooralsnog geen sprake.

Lees de uitspraak van de Hoge Raad hier: ECLI:NL:HR:2025:1799, Hoge Raad, 24/04220

Vragen over de rol van art. 3 IVRK bij ontruimingsvorderingen?
Neem contact op met Juliette Soomers 

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

12 juni 2025

Omdat je verder wilt

Dwaling

Dwaling houdt kort gezegd in dat sprake is van een verkeerde voorstelling van zaken. Een overeenkomst die onder invloed van dwaling wordt gesloten, kan worden vernietigd. In plaats van vernietiging kan ook om vergoeding van nadeel (als gevolg van de dwaling) worden gevraagd.

Klassiekers
Dwaling-klassiekers zijn Baris/Riezenkamp (Hoge Raad 15 november 1957), Booy/Wisman (Hoge Raad 21 januari 1966) en het Marktcafé (Hoge Raad 10 oktober 1932), hoewel die laatste zaak meer ging om louter toekomstige omstandigheden (toch geen markt, dus een leeg café). In dat geval kan geen beroep op dwaling worden gedaan. Deze uitspraak is later teruggkomen in de wet (art. 6:228 lid 2 BW).

Nieuwe klassieker?
Er is een nieuwe dwalingsklassieker in de maak (Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:304). Het gaat in die zaak om de vraag of aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van nadeel. Ik geef de zaak alvast als naam “de-toch-niet-gekomen-megastal”. Voordat er meer over wordt verteld, wordt ingegaan op hoe het zit met dwaling.

Mededeling of zwijgen
Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, is vernietigbaar. Voorwaarde is dat de dwaling het gevolg is van onjuiste informatie van de wederpartij of van diens zwijgen. Soms is er sprake van wederzijds dwaling. Dan gaan zowel de dwalende partij als de wederpartij van een verkeerde voorstelling van zaken uit. In Baris/Riezenkamp was het dwalingsberoep gebaseerd op een mededeling over fabricagekosten. Riezenkamp ging uit van het door Baris genoemde bedrag van 135 gulden, maar in werkelijkheid waren de kosten 230 gulden. De plannen van Riezenkamp (fabricage van bromfietsmotoren) vallen met het laatste bedrag in het water. Dwaling dus. In Booy/Wisman gaat het over de koop van een kraanwagen. Om op de openbare weg te mogen, is er een kentekenbewijs nodig. Achteraf blijkt dat het verkrijgen daarvan onmogelijk is. Booy voert aan dat Wisman zelf onderzoek had moeten doen naar de (on)mogelijkheid om een kentekenbewijs te krijgen. Hij had niet op de door Booy gedane mededelingen mogen vertrouwen. De Hoge Raad oordeelt anders, want vindt in het algemeen een onjuist standpunt dat niet zou mogen worden afgegaan op mededelingen door de wederpartij en dat die laatste ter afwering van een dwalingsberoep zou mogen aanvoeren dat ten onrechte op de juistheid van deze mededelingen is vertrouwd. De overeenkomst is terecht vernietigd.

De-toch-niet-gekomen-megastal
Als sprake is van dwaling kan de overeenkomst worden vernietigd. De overeenkomst heeft dan nooit bestaan. Die sanctie hoeft niet te worden ingeroepen, want de wet bepaalt dat de rechter op verlangen van een de partijen (in plaats van de vernietiging uit te spreken) de gevolgen van de overeenkomst kan wijzigen ter opheffing van het nadeel door de dwaling. Dat is bepaald in art. 6:230 BW. In de aanstaande klassieker gaat het daarom, meer in het bijzonder of er wel nadeel is als de dwalingsgrond op enig moment niet meer aan de orde is. In de zaak in kwestie ging het over de verkoop van een woning. De woning blijkt bij een geplande megastal te staan. De verkopers hadden eerder bezwaar gemaakt tegen de vergunning voor die stal, maar melden niets aan de kopers. De woning wordt getaxeerd op € 670.000,-. Dat is zonder rekening te houden met de stal. Kort voor deze taxatie vroeg de veehouder om een vergunning voor nog meer biggen en varkens (15.168 biggen en 870 vleesvarkens). De verkopers dienen hier via een buurtgenoot zienswijzen tegen in, maar zeggen nog steeds niets aan de kopers. Dan vindt de levering van de woning plaats en kort daarna ontdekken de kopers wat er gaat gebeuren. Zij laten een taxatie uitvoeren. Die komt uit op een bedrag van € 485.000,=. De kopers eisen vervolgens op grond van dwaling een nadeelcompensatie van € 190.000,=. Tot slot, en dat maakt deze zaak zo interessant, besluit de veehouder een paar maanden voordat de rechter uitspraak doet definitief geen gebruik te maken van zijn vergunningen. De megastal komt er niet.

Rechtbank en hof
De rechtbank wijst de vordering van kopers af omdat de gevreesde megastal er definitief niet meer zal komen. Dat betekent dat de onjuiste voorstelling van zaken die de kopers hadden, niet meer aan de orde is. Geen dwaling meer dus. Het hof pakt het anders aan. Wél dwaling, maar geen recht op opheffing van het nadeel door de megastal, omdat er geen nadeel zal zijn. De stal komt er immers niet.

Hoge Raad
De Hoge Raad moet nog beslissen, maar voor nadeelcompensatie zou dit een klassieker kunnen worden (ontleend aan Drion in NJB). Tegen de achtergrond van Baris/Riezenkamp, Booy/Wisman en art. 6:230 BW lijken de uitspraken van de rechtbank en hof juist, maar bij tweede lezing kan daar toch anders over worden gedacht. Kopers wilden geen vernietiging, maar nadeelcompensatie. In het advies aan de Hoge Raad wijst procureur-generaal De Bock er op dat het er bij een vergoeding van nadeel als bedoeld in art. 6:230 BW om gaat dat dat de partij die een beroep op dwaling doet, in de positie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als er niet zou zijn gedwaald (door een vergelijking te maken tussen de situatie waarin is gedwaald en de hypothetische situatie waarin dat niet het geval is). Dat betekent dat als er van wordt uitgaan dat de kopers zonder de dwaling de woning inderdaad voor een lagere koopprijs zouden hebben kunnen kopen, een latere waardevermeerdering van de woning door het door de veehouder definitief afzien van zijn plannen voor de megastal, ten goede komen aan de kopers. De beslissing van de veehouder staat verder helemaal los van de totstandkoming van de koopovereenkomst en de dwaling daarbij. Dat de veehouder geen megastal meer wil, kan dan ook niet afdoen aan het gegeven dat de kopers zonder dwaling de woning tegen een lagere prijs zouden hebben gekocht. De slotconclusie van de AG is dat niet valt in te zien dat de latere waardevermeerdering van de woning – die niet in causaal verband staat met de dwaling – het eerdere nadeel van de kopers zou opheffen of compenseren.

Hoe verder?
Hoe de Hoge Raad gaat beslissen, is onbekend (per datum 12 juni 2025), maar nu al is duidelijk dat er een belangrijke beslissing gaat komen over welk moment bepalend is voor vergoeding van nadeel. Óf het moment dat daar aanspraak op werd gemaakt en iedereen nog dacht dat er een megastal zou komen óf later, toen inmiddels duidelijk was dat er geen megastal kwam, zodat ook geen sprake meer is van nadeel? Tegelijkertijd is dan wel de uitkomst dat verkopers de oude koopprijs mogen behouden, terwijl ook vaststaat dat zij destijds niets over de megastal hebben gezegd.

Lees hier de beslissing van Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13 februari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:432. Lees hier het advies van de AG Parket bij de Hoge Raad 7 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:304. De uitspraak van de Hoge Raad komt hier.

Vragen over dwaling, koopovereenkomsten of vergunningen (voor megastallen of een ander onderwerp)? Neem contact op met Rogier Visser

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

1 april 2025

Omdat je verder wilt

Huurder met meerdere koopwoningen moet sociale huurwoning verlaten na beroep op dringend eigen gebruik door verhuurder

Uitspraak kantonrechter over beëindiging huurovereenkomst
Op 27 maart 2025 heeft de kantonrechter te Amsterdam uitspraak gedaan in de zaak van een woningcorporatie tegen een huurder met meerdere koopwoningen die door hem worden verhuurd. De huurovereenkomst wordt door de rechter beëindigd.

Beroep op dringend eigen gebruik
De corporatie heeft de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend eigen gebruik. De verhuurder wil de woning terug om deze te kunnen verhuren aan personen die niet zelf in hun huisvesting kunnen voorzien. De huidige huurder behoort met meerdere koopwoningen volgens de rechter niet meer tot de doelgroep van de corporatie.

Juridisch precedent in de strijd tegen scheefwonen
Het is voor het eerst dat een corporatie een zaak over scheefwonen aan de rechter voorlegt. De aanleiding was kort gezegd een artikel in NRC. Daarin werd aandacht besteed aan een onderzoek van het Kadaster naar huurders van sociale huurwoningen met meerdere koopwoningen op hun naam. Uit dat onderzoek bleek dat ruim duizend huurders van corporaties eigenaar zijn van meerdere koopwoningen. Dat is maatschappelijk gezien onwenselijk.

De nu gegeven beslissing door de rechtbank Amsterdam is van belang omdat het een juridisch precedent schept voor het tegengaan van scheefwonen. Huurders met vastgoedbezit zouden geen sociale huurwoning bezet mogen houden. De aanpak van de corporatie raakt aan de kern van het doel van toegelaten instellingen: het beschikbaar stellen en houden van sociale huurwoningen voor degenen die ze echt nodig hebben en niet zelf kunnen voorzien in hun woonbehoefte.

Lees de uitspraak van de rechtbank hier: ECLI:NL:RBAMS:2025:2080, Rechtbank Amsterdam, 11266179 \ CV EXPL 24-10726

Vragen over scheefwonen en dringend eigen gebruik?
Neem contact op met Rogier Visser of Louise Strating.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

21 maart 2025

Omdat je verder wilt

Beroep op Didam-uitzonderingssituatie slaagt

De Staat hoefde in dit geval niet de selectieprocedure te doorlopen voor de verhuur van extra grond aan Fastned.

Op grond van de Didam regels dient een overheidsorganisatie een selectieprocedure te houden als het een perceel grond wil verkopen of verhuren. Van deze verplichting mag een overheidsorganisatie afwijken als er sprake is van slechts één serieuze gegadigde. In een zaak die diende bij de Voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland ging deze uitzonderingssituatie op.

Feiten
De Staat verhuurt een stuk grond langs de snelweg aan Fastned en is voornemers om extra grond aan Fastned te verhuren ten behoeve van een energielaadpunt. De Staat heeft zijn voornemen tot wijziging van de huurovereenkomst met Fastned gepubliceerd en daarbij vermeld dat Fastned de enige serieuze gegadigde is met wie deze huurovereenkomst kan worden gesloten.

Andere partijen maken bezwaren en vorderen dat het de Staat wordt verboden om uitvoering te geven aan zijn voornemen om de extra grond aan Fastned te verhuren.

Beroep op uitzonderingssituatie
De Staat beroept zich op de uitzonderingssituatie dat er maar één serieuze gegadigde is voor de verhuur van extra grond. Beoordeeld moet daarom worden of:

  1. er aan de daarvoor vereiste mededelingsverplichting is voldaan, en
  2. de Staat op basis van objectief, toetsbare en redelijke criteria heeft kunnen concluderen dat er maar één serieuze gegadigde is voor de verhuur van de extra grond.

Uitspraak
Volgens de Voorzieningenrechter is het niet aannemelijk dat de Staat onrechtmatig handelt door de extra grond aan Fastned te verhuren.

De Staat heeft met zijn publicatie aan zijn mededelingsverplichting voldaan. Op grond van de publicatie moet het voor het potentiële gegadigden duidelijk zijn geweest welk stuk grond de Staat van plan is te verhuren. Verder volgt uit de publicatie dat de Staat op grond van de volgende drie criteria tot de conclusie is gekomen dat er maar één serieuze gegadigde is voor de verhuur van de grond:

  1. de gegadigde moet beschikken over een publiekrechtelijke vergunning,
  2. de verhuur van de extra grond is niet in strijd met de Benzinewet,
  3. de verhuur van de extra grond is niet in strijd met rechten van derden.

Volgens de rechter betreffen het objectieve, toetsbare en redelijke criteria op grond waarvan De Staat heeft kunnen concluderen dat Fastned de enige serieuze gegadigde is voor de verhuur van de extra grond. Fastned had immers een publiekrechtelijke vergunning en er was geen sprake van strijd met de Benzinewet of rechten van derden. De Voorzieningenrechter concludeert dat de door de Staat voorgenomen verhuur van de extra grond aan Fastned niet in strijd is met de Didam regels of om een andere reden onrechtmatig tegenover de andere partijen is.

De andere partijen voeren nog aan dat de Staat op grond van een belangenafweging toch moet worden verboden om uitvoering te geven aan zijn voornemen om de extra grond aan Fastned te verhuren, omdat daardoor een onomkeerbare situatie zal ontstaan. Dit standpunt gaat volgens de Voorzieningenrechter niet op. Er is immers sprake van een koppeling tussen de vergunningverlening en de huurovereenkomst. Als de vergunning eindigt/wegvalt dan komt ook de huurovereenkomst ten einde. Verder wordt in aanmerking genomen dat de vergunning en huurovereenkomst niet voor onbepaalde tijd gelden, maar over ongeveer 6 jaar aflopen. Dan zal er weer een nieuwe verdeling van de vergunningen en de grond plaatsvinden, en dan heeft iedereen weer een nieuwe kans. Zo onomkeerbaar is het dus niet, aldus de Voorzieningenrechter.

Contact
Heb je juridische vragen over verhuur van grond door de overheid? Neem gerust contact met ons op. Wij helpen je graag verder.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie, Vastgoedrecht

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 5
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV