• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
Macy Weij


Omdat je verder wilt

Verrekening vóór datum faillissement. Curator versus de bank. Discussie over artikel 54 Fw. Wie trekt aan het langste eind?

Recent, op 13 maart 2026, heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen over de toepassing van artikel 54 Fw (verrekening) bij binnenkomende betalingen op de bankrekening van een rekeninghouder in het zicht van faillissement. Volgens de curator heeft de bank in strijd met artikel 54 Fw gehandeld door een specifieke betaling te verrekenen, wat niet had gemogen. De bank ziet dit anders. Wat de Hoge Raad vindt, lees je later in dit artikel.

Waar gaat de (feitelijke) kwestie over?
Voordat we bij het inhoudelijke debat uitkomen, is het belangrijk om de feiten te schetsen. De onderneming waar het om gaat, is een café-restaurant. Het restaurant werd vanaf februari 2017 door de Rabobank gefinancierd (rekening-courantverhouding). De kredietruimte was EUR 25.000. Het restaurant heeft als gevolg van de COVID-19-crisis haar deuren moeten sluiten. Vervolgens is het faillissement op 17 april 2020 (bij eigen aangifte) aangevraagd en op 21 april 2020 is het faillissement uitgesproken. Vanaf dat moment staat de curator aan het roer.

Voor datum faillissement heeft het restaurant bij het UWV de welbekende NOW-subsidie ten behoeve van de loonkosten aangevraagd. Het UWV heeft de subsidie op 10 april 2020 toegekend. De eerste betaaltermijn à EUR 15.478 is op 14 april 2020 bijgeschreven. Het saldo op de rekening van het restaurant was op dat moment negatief. De Rabobank heeft de betaling verrekend met haar vordering, waardoor het negatieve saldo lager is geworden. Vervolgens zijn er tussen 14 april 2020 en 21 april 2020 nog diverse betalingen (op instructie van het restaurant) verricht, zodat per datum faillissement het saldo (fors) verder onder de nul terecht is gekomen.

De curator heeft vanaf datum faillissement inzage in de bankrekening(en) en transacties, waaronder dus de bijschrijving vanuit het UWV zoals hiervoor aangehaald. Volgens de curator heeft de Rabobank in strijd gehandeld met artikel 54 lid 1 Fw. De curator heeft dan ook verzocht EUR 15.478 naar de boedelrekening over te maken. De Rabobank heeft niet aan dit verzoek voldaan. De curator laat het er niet bij zitten en start een procedure met als doel: betaling aan de boedel van in totaal EUR 15.748.

Het juridisch kader: artikel 54 Fw
De curator is van mening, zoals hiervoor opgemerkt, dat de handelswijze van de Rabobank in strijd is met artikel 54 Fw. Doel en strekking van deze bepaling is om misbruik van verrekening te voorkomen en (ongerechtvaardigde) bevoordeling van bepaalde schuldeisers tegen te gaan. Maar wat is er in dit artikel bepaald? Kort samengevat het volgende:

  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering vóór datum faillissement van een derde is overgenomen en je niet te goeder trouw was; en
  • je niet mag verrekenen als een schuld of vordering ná datum faillissement is overgenomen.

In dit geval gaat het om de situatie zoals onder (i) genoemd. Ter verduidelijking nog het volgende. Het begrip derde wordt ruim gehanteerd. Hieronder vallen ook bankbetalingen en rekening-courantverhoudingen. Dat is vaste rechtspraak. Wanneer ben je dan niet te goeder trouw in de verrekening? Dat is het geval als je weet of behoorde te weten dat het faillissement te verwachten viel. Dan mag je dus niet verrekenen.

Wat is het oordeel van de rechtbank en het gerechtshof?
De rechtbank oordeelde dat (in deze situatie) artikel 54 Fw inderdaad aan verrekening in de weg kan staan, maar wees de vordering van de curator af omdat – wat haar betreft – niet vaststond dat de Rabobank op 14 april 2020 niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw.

Het gerechtshof is het met de beslissing van de rechtbank eens en bekrachtigt het vonnis waarvan beroep. Volgens het gerechtshof is artikel 54 Fw niet geschreven voor de situatie waarin inkomende betalingen (feitelijk) worden opgesoupeerd door latere betalingsopdrachten vanuit de rekeninghouder. Daar komt de vrees voor maatschappelijke gevolgen bij. Als de uitgaande betalingsopdrachten (in opdracht van de rekeninghouder) uiteindelijk voor rekening van de bank komen, gaan banken in financiële noodsituaties eerder het betalingsverkeer blokkeren. Dat is schadelijk voor de schuldeisers en de bedrijfscontinuïteit. Feitelijk creëert het gerechtshof met deze redenering een nieuwe uitzondering op het strikte verbod van verrekening van artikel 54 Fw.

De curator is het niet met het arrest van het gerechtshof eens en gaat in cassatie. Kort gezegd de reden: de nieuwe uitzondering (ten gunste van de banken) is in strijd met vaste rechtspraak en daarvoor heeft het gerechtshof geen goede gronden gegeven.

Wat vindt de Hoge Raad?
De Hoge Raad oordeelt dat artikel 54 Fw helder is en er geen ruimte bestaat voor het maken van een uitzondering in deze situatie. Dit wordt als volgt uitgelegd. Als een derde betaalt op de bankrekening van de schuldenaar, wordt de bank (door creditering) schuldenaar van de rekeninghouder. In beginsel mag de bank binnen de rekening-courantverhouding verrekenen. Wanneer niet? Als de bank niet te goeder trouw is. Dat is wanneer zij wist of behoorde te weten dat het faillissement van de rekeninghouder te verwachten was (peilmoment). Uitgaande betalingen maken de situatie voor de bank niet anders. De Hoge Raad besluit dan ook tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof en verwijst naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.

Tot slot
De Hoge Raad benadrukt een belangrijk principe, namelijk dat het girale betalingsverkeer geen uitzonderingspositie voor banken ten opzichte van andere schuldeisers rechtvaardigt. De Hoge Raad gaat dus voor rechtszekerheid en gelijkheid van schuldeisers, terwijl het gerechtshof oog heeft willen hebben voor de maatschappelijke belangen. Die vlieger gaat niet op.

Kort en goed: artikel 54 Fw is duidelijk en ruimte voor het maken van een uitzondering is er, bij (latere) uitgaande betalingen, in ieder geval niet. Niet te goeder trouw in de zin van artikel 54 Fw is “gewoon” niet te goeder trouw. Voor de gezamenlijke schuldeisers in een faillissement is dit goed nieuws. Voor banken is dit natuurlijk minder goed nieuws.

Vragen over deze uitspraak of andere faillissementsrechtelijke kwesties? Neem dan gerust contact op met Macy Weij of een van onze andere specialisten. Een tijdig advies kan het verschil maken.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

← zie vorige artikel

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV