Aankomende wanprestatie
Blijvende onmogelijkheid: wanneer u niet hoeft te wachten op correcte nakoming
Wanneer een overeenkomst niet correct wordt nagekomen (wanprestatie), geldt in principe dat de wederpartij een kans moet krijgen om alsnog deugdelijk te presteren. In de praktijk betekent dit dat een ingebrekestelling moet worden gestuurd waarin een redelijke termijn wordt gegeven om alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Dat uitgangspunt geldt op het moment dat nakoming al opeisbaar is en de schuldenaar tot nakoming kan worden gedwongen. In de praktijk komt het echter ook voor dat al vóór de afgesproken nakomingsdatum duidelijk wordt dat (correcte) nakoming zal uitblijven (aankomende wanprestatie).
Artikel 6:80 BW ziet op die situatie: de schuldenaar hoeft nog niet na te komen, maar de gevolgen van niet-nakoming kunnen onder omstandigheden toch al intreden.
Blijvende onmogelijkheid vóór opeisbaarheid
Wanneer vaststaat dat nakoming zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn, is sprake van blijvende onmogelijkheid in de zin van artikel 6:80 BW. In dat geval heeft het geen zin om de wederpartij nog de gelegenheid te geven om alsnog na te komen, nu al vóór de afgesproken nakomingsdatum duidelijk is dat (correcte) nakoming zal uitblijven. De gevolgen van niet-nakoming treden reeds vóór de opeisbaarheid in. U hoeft niet te wachten tot de nakomingsdatum is verstreken om schadevergoeding of ontbinding van de overeenkomst te vorderen.
Wanneer is sprake van blijvende onmogelijkheid?
Soms is die blijvende onmogelijkheid evident. Een klassiek voorbeeld is de koop van een uniek schilderij dat vóór levering verloren gaat of in vlammen opgaat. In zo’n geval kan de verkoper het schilderij simpelweg niet meer leveren. Nakoming is definitief uitgesloten en het heeft geen zin om nog een termijn te geven of herstel te verlangen. Dit wordt ook wel objectieve blijvende onmogelijkheid genoemd.
In de praktijk is dit vaak minder zwart-wit. Nakoming kan technisch nog wel mogelijk zijn, maar alleen door een ingrijpend en/of tijdrovend hersteltraject. Dit wordt relatieve blijvende onmogelijkheid genoemd. Uit de rechtspraak volgt dat daarvan sprake kan zijn wanneer bijvoorbeeld een prestatie al is verricht maar alleen nog hersteld kan worden door deze geheel ongedaan te maken en opnieuw uit te voeren, of wanneer herstel uitsluitend mogelijk is met aanzienlijke tijdsduur. Denk bijvoorbeeld aan een verbouwing waarbij het werk zo gebrekkig is uitgevoerd dat alleen volledige heruitvoering nog tot een deugdelijk resultaat kan leiden. In zulke gevallen kan in redelijkheid niet zonder meer worden verlangd dat u de wederpartij nog de gelegenheid biedt om alsnog correct na te komen.
Wel geldt dat de onmogelijkheid objectief moet kunnen worden vastgesteld. Het moet naar redelijke maatstaven duidelijk zijn dat correcte nakoming niet (meer) mogelijk is. Het enkele verlies van vertrouwen in de wederpartij is daarvoor onvoldoende. Er moeten concrete omstandigheden zijn die maken dat het bieden van een (nadere) nakomingsmogelijkheid niet van u kan worden verlangd.
Conclusie
Artikel 6:80 BW brengt tot uitdrukking dat de gevolgen van niet-nakoming al intreden voordat de vordering opeisbaar is als sprake is van blijvende onmogelijkheid. In dat geval heeft het immers geen zin om te wachten tot de vordering opeisbaar zou zijn geworden of nog een nakomingsmogelijkheid te bieden. In dat geval treden de gevolgen van niet-nakoming op grond van de wet al in. Er kan direct voor worden gekozen om de overeenkomst te ontbinden en/of schadevergoeding te vragen. We denken graag met u mee over de mogelijkheden.

