• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Opinie

23 juli 2026

Omdat je verder wilt

Samenloop – wat zegt het recht en hoe werkt het in de procespraktijk?

Onrechtmatige daad is misschien wel het belangrijkste leerstuk van het Nederlandse recht. Er is al een keer uitvoerig bij stilgestaan in Fietsend van Lindenbaum/Cohen uit 1919 naar het Afzinkkelder arrest van 12 januari 2024 - CERTA.  Onrechtmatige daad wordt vaak geassocieerd met situaties waarin partijen niet met elkaar hebben gecontracteerd, maar dat betekent niet dat een contractuele relatie een beroep op onrechtmatige daad uitsluit.

In de vastgoedpraktijk komt ook regelmatig de vraag op of een partij naast wanprestatie ook uit onrechtmatige daad aansprakelijk kan zijn. Denk bijvoorbeeld aan een aannemer die zijn contractuele verplichtingen niet nakomt en tegelijkertijd schade veroorzaakt aan eigendommen van de opdrachtgever of derden, of aan een verkoper van vastgoed die belangrijke informatie achterhoudt Dwaling - CERTA. Wat zegt ons recht hierover en hoe werkt dit in de procespraktijk?

Onrechtmatige daad
De wet bepaalt dat er drie situaties zijn die een onrechtmatige daad kunnen opleveren: inbreuk maken op een recht (bijvoorbeeld iemands eigendom beschadigen), een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht (zoals door rood rijden en een aanrijding veroorzaken) en een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Dit laatste wordt meestal samengevat als onzorgvuldig handelen.

Als daarnaast ook aan de overige vereisten is voldaan, zoals schade en causaal verband tussen de gedraging en die schade, is sprake van een volledige onrechtmatige daad en kan aanspraak bestaan op schadevergoeding.

Samenloop 1
Het kan voorkomen dat een partij voor dezelfde feiten een beroep kan doen op meerdere juridische grondslagen. Er ontstaat dan samenloop. In het algemeen geldt als uitgangspunt dat meerdere, op zichzelf toepasselijke rechtsgronden naast elkaar kunnen worden ingeroepen.

Daarop bestaan echter uitzonderingen.

De eerste uitzondering doet zich voor wanneer de verschillende rechtsgronden leiden tot rechtsgevolgen die niet naast elkaar kunnen bestaan. In dat geval zal de eiser een keuze moeten maken.

Een tweede uitzondering is dat niet kan worden geshopt met wettelijke termijnen. Het feit dat een vordering uit onrechtmatige daad soms een langere verjaringstermijn kent dan een bijzondere wettelijke regeling, betekent niet dat die bijzondere regeling kan worden omzeild.

Een bekend voorbeeld betreft aanvaringen. De specifieke verjaringstermijnen die daarvoor gelden kunnen niet worden ontlopen door dezelfde feiten tevens als onrechtmatige daad aan te merken.

Een soortgelijke uitkomst geldt bij koop. Als een koper zich op het standpunt stelt dat het gekochte niet aan de overeenkomst beantwoordt en dat vervolgens presenteert als een onrechtmatige daad, blijft de klachtplicht die bij koop geldt onverminderd van toepassing. Voor vastgoedtransacties kan dit van grote betekenis zijn wanneer discussie ontstaat over gebreken of onjuiste informatieverstrekking rondom de aankoop van vastgoed.

Samenloop 2
Onrechtmatige daad wordt ook wel buitencontractuele aansprakelijkheid genoemd. Met wanprestatie wordt bedoeld dat partijen een overeenkomst hebben gesloten en een van hen tekortschiet in de nakoming van zijn verplichtingen uit die overeenkomst.

In geval van wanprestatie is de schending van de rechtsplicht tevens een schending van een verbintenis. Op die situatie zijn daarom de wettelijke bepalingen over toerekenbaar tekortschieten van toepassing. Dat volgt expliciet uit de parlementaire geschiedenis.

Dat betekent echter niet dat onrechtmatige daad in een contractuele verhouding nooit een rol kan spelen. Integendeel, een gedraging kan naast wanprestatie tevens een onrechtmatige daad opleveren. Tegenover een contractuele wederpartij is slechts sprake van een onrechtmatige daad indien de verweten gedraging ook los van de contractuele tekortkoming als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Met andere woorden: er moet meer aan de hand zijn dan uitsluitend het niet nakomen van een contractuele verplichting.

Dat leidde tot een recente uitspraak van de Hoge Raad.

Arrest Hoge Raad 17 juli 2026
In deze recente uitspraak van de Hoge Raad https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:1295 gaat het over diverse verklaringen voor recht en veroordelingen tot schadevergoeding wegens wanprestatie dan wel onrechtmatige daad.

Het gerechtshof had de vorderingen gebaseerd op wanprestatie afgewezen. Hetzelfde gebeurde met de vordering uit onrechtmatige daad. Het hof overwoog terecht dat een vordering uit onrechtmatige daad naast een vordering uit wanprestatie kan bestaan. Uit het leerstuk van samenloop weten we dat dat mogelijk is.

Vervolgens stelde het hof vast dat de eiser dezelfde feiten en omstandigheden had aangevoerd ter onderbouwing van zowel de wanprestatie als de onrechtmatige daad. Volgens het hof bestond daarom geen ruimte om op grond van de gestelde onrechtmatige daad anders te oordelen dan over de wanprestatie.

Daar gaat het volgens de Hoge Raad mis.

Uit het leerstuk van samenloop volgt namelijk dat de afwijzing van een op wanprestatie gebaseerde vordering niet zonder meer betekent dat ook een vordering uit onrechtmatige daad moet worden afgewezen. In deze zaak was de vordering uit wanprestatie afgewezen omdat het vereiste verzuim ontbrak. Dat oordeel staat echter niet automatisch in de weg aan een afzonderlijke beoordeling van de vraag of sprake is van een onrechtmatige daad.

De Hoge Raad benadrukt daarmee dat beide grondslagen zelfstandig moeten worden beoordeeld.

Voor de procespraktijk is dat een belangrijk aandachtspunt. Ook in vastgoedgeschillen kan het voorkomen dat een contractuele vordering strandt, terwijl nog steeds moet worden onderzocht of dezelfde feiten een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad opleveren.

Conclusie
Samenloop houdt in dat een vordering uit onrechtmatige daad naast een contractuele vordering kan bestaan, mits de gestelde gedraging ook los van de contractuele tekortkoming als onrechtmatig kan worden aangemerkt.

Het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2026 bevestigt dat afwijzing van een vordering wegens wanprestatie niet zonder meer meebrengt dat ook een vordering uit onrechtmatige daad strandt. Beide grondslagen moeten afzonderlijk worden beoordeeld.

Voor de vastgoedpraktijk kan dat van groot belang zijn. Bij geschillen over bouwprojecten, koopovereenkomsten, verborgen gebreken of informatieverstrekking tijdens vastgoedtransacties verdient het aanbeveling steeds te onderzoeken of naast een contractuele grondslag ook een zelfstandige grondslag uit onrechtmatige daad aanwezig is. In de procespraktijk kan dat het verschil maken tussen afwijzing en toewijzing van een vordering.

Heb je vragen over aansprakelijkheid, wanprestatie of onrechtmatige daad in de vastgoedpraktijk? Rogier Visser helpt je graag verder.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

7 juli 2026

Omdat je verder wilt

Checklist loontransparantie

In 2027 treedt naar verwachting de Wet implementatie Richtlijn loontransparantie mannen en vrouwen in werking. Met deze wet beoogt de wetgever ongerechtvaardigde loonverschillen tussen mannen en vrouwen inzichtelijk te maken en tegen te gaan. Voor werkgevers brengt dit nieuwe verplichtingen met zich mee. Een tijdige voorbereiding is belangrijk om boetes, claims van werknemers en reputatieschade te voorkomen.

Benieuwd naar de veranderingen? Deze checklist maakt inzichtelijk welke acties nodig zijn.

Heb je vragen over deze checklist of de aankomende veranderingen?
Neem dan contact op met Serena Bank via [email protected].

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

16 juni 2026

Omdat je verder wilt

Bestuurdersaansprakelijkheid en doorstartconstructies

Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 april 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1031) verduidelijkt dat een bestuurder ook aansprakelijk kan zijn op grond van onrechtmatige daad, met name als met een concernstructuur wordt gewerkt die niet voldoende is vastgelegd.

Praktijktips
De belangrijkste lessen uit het arrest:

  • Zorg voor een deugdelijke administratie. Als die ontbreekt, sta je als bestuurder direct op achterstand: het bewijsvermoeden van onbehoorlijk bestuur slaat snel toe.
  • Let extra op als de activiteiten van een onderneming worden gesplitst in diverse vennootschappen, waarbij de inkomsten bij één vennootschap binnenkomen, terwijl de kosten voor rekening van een andere vennootschap komen.
  • Indirecte bestuurders lopen reëel risico. Ook buitenlandse holdings kunnen via art. 2:11 BW aansprakelijk worden gehouden.
  • Natuurlijke personen blijven niet buiten schot. Zelfs als zij geen formeel of feitelijk bestuurder zijn, kan aansprakelijkheid volgen via onrechtmatige daad.

Waar ging de zaak over?
Het arrest gaat over de doorstart van modeketen Miss Etam na een faillissement. Bij die doorstart werden de activa en de omzet ondergebracht in één vennootschap, terwijl het personeel werd verdeeld over vier afzonderlijke personeelsvennootschappen. Die personeelsvennootschappen beschikten niet over een eigen bankrekening, hadden geen eigen inkomsten en er waren geen schriftelijke afspraken gemaakt over de terbeschikkingstelling van het personeel. Uiteindelijk zijn deze personeelsvennootschappen failliet gegaan.

De curator stelde zich op het standpunt dat zowel de directe als de indirecte bestuurders aansprakelijk waren voor het faillissementstekort. Volgens de curator was sprake van onbehoorlijk bestuur, omdat de interne verhoudingen en de geldstromen onvoldoende inzichtelijk waren.

Wat oordeelt het hof?
Het hof hanteert een strikte benadering en bevestigt een aantal bekende, maar in de praktijk zeer relevante uitgangspunten.

In de eerste plaats acht het hof de administratieplicht van groot belang. De administratie was volgens het hof zodanig gebrekkig dat de geldstromen en onderlinge verplichtingen niet goed konden worden vastgesteld. In zo’n situatie geldt het wettelijke vermoeden dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat dit onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Daarnaast kijkt het hof niet alleen naar de gebrekkige administratie, maar ook naar het feitelijke handelen van het bestuur. Volgens het hof heeft het bestuur nagelaten om tijdig gelden te innen of door te sluizen, terwijl die middelen nodig waren om crediteuren te kunnen voldoen. Daardoor is de financiële positie van de betrokken vennootschappen verder verslechterd.

Het verweer dat de coronapandemie de doorslaggevende oorzaak van het faillissement was, slaagt niet. Volgens het hof doorbreekt een externe oorzaak het causale verband niet wanneer daarnaast ook intern sprake is van wanbeleid.

Wie is aansprakelijk
Het arrest is vooral interessant omdat het hof verschillende lagen van aansprakelijkheid onderscheidt. Zo kunnen indirecte bestuurders, zoals holdings, via artikel 2:11 BW aansprakelijk worden gehouden. Dat geldt ook wanneer die holdings in het buitenland zijn gevestigd. Daarnaast oordeelt het hof over de buitenlandse natuurlijke persoon achter een buitenlandse holding. Die persoon wordt niet als feitelijk beleidsbepaler aangemerkt, omdat hij formeel bestuurder was, maar wordt wel persoonlijk aansprakelijk geacht op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). Volgens het hof heeft hij persoonlijk een zorgplicht geschonden, onder meer door de gekozen vennootschapsstructuur, het ontbreken van duidelijke onderlinge afspraken en het nalaten om openstaande vorderingen te innen. Als dit een Nederlandse natuurlijke persoon was geweest, was een aansprakelijkstelling via artikel 2:11 BW wel mogelijk geweest.

Laatste tip:
Een doorstart moet dus niet worden gezien als een schone lei. Juist in de fase daarna is het essentieel dat de governance en de administratie strak zijn ingericht.

Meer informatie over bestuurdersaansprakelijkheid en/of doorstartconstructies? Neem contact op via [email protected], wij brengen u direct in contact met een van onze specialisten.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Insolventie, Ondernemingsrecht, Opinie

29 mei 2026

Omdat je verder wilt

Het belang van de juiste termijnen

In de praktijk lijkt het overzichtelijk: een termijn is een termijn. Toch kan het juist in perioden met feestdagen fout gaan. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben.

Verlenging bij weekend- en feestdagen
Vaak wordt er vanuit gegaan dat een termijn die eindigt op een weekend- of feestdag automatisch wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Dat klopt in veel gevallen: de Algemene termijnenwet bepaalt dat een wettelijke termijn dan wordt verlengd. Van belang is dat dit uitgangspunt alleen geldt voor wettelijke termijnen. Contractuele termijnen (zoals overeengekomen opzegtermijnen) vallen hier dus in beginsel niet onder, tenzij partijen daar zelf iets over hebben geregeld. Nog belangrijker is dat deze regel uitzonderingen heeft en die zijn minder bekend.

Uitzonderingen
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op alle termijnen. Zo geldt de verlenging van een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt niet voor termijnen die worden berekend door terug te rekenen vanaf een bepaald tijdstip of een bepaalde gebeurtenis. Ook geldt zij niet voor langere termijnen, zoals termijnen van meer dan drie maanden. In die gevallen verschuift de einddatum dus niet, maar eindigt de termijn gewoon op de laatste dag zelf. Tot slot is van belang dat niet iedere feestdag een algemeen erkende feestdag in de zin van de Algemene termijnenwet is.

Fatale termijn van zes maanden in het huurrecht
Een van de uitzondering was ook aan de orde in een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam ECLI:NL:RBAMS:2026:4514, Rechtbank Amsterdam, 12079223 \ KK EXPL 26-75). Het ging in deze zaak om een ingestelde vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst na het overlijden van de huurder. Degene die met na het overlijden van de huurder in de woning achterblijft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, kan een dergelijke vordering binnen zes maanden na het overlijden instellen. De huurder is op 6 oktober 2025 overleden, zodat de termijn van zes maanden in dit geval op 6 april 2026 verliep. Dat was dit jaar Tweede Paasdag. De vordering was echter pas op 7 april 2026 ingesteld. De vraag die voorlag is of de termijn in dit geval werd verlengd tot de eerstvolgende dag die geen feestdag is. In de uitspraak benadrukt de rechtbank dat toepassing van de Algemene termijnenwet afhankelijk is van de duur van de termijn. De termijn voor het instellen van een vordering tot voortzetting van de huur na overlijden is omschreven in maanden en de Algemene termijnenwet geldt niet voor termijnen van meer dan drie maanden. De conclusie is dat de vordering een dag te laat is ingesteld.

Les voor de praktijk
De hiervoor genoemde uitspraak leert dat men beter het zekere voor het onzekere kan nemen en dat het bij het bepalen van de termijn veiliger is om niet uit te gaan van een verlenging. Neem de laatste dag van de termijn als uitgangspunt en zorg dat de termijn uiterlijk op die dag (of eerder) wordt veiliggesteld. Of controleer per geval of een termijn die in het weekend of op een feestdag eindigt daadwerkelijk wordt verlengd of dat één van de uitzonderingen geldt, want de gevolgen van een onjuiste aanname kunnen groot zijn.

Meer informatie over termijn of huurrecht? Neem contact op met Louise Strating.

Omdat je verder wilt

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

16 april 2026

Omdat je verder wilt

Waardering van aandelen conform de Leidraad van de Ondernemingskamer

Inleiding
In 2025 is de aangepaste geschillenregeling (2:336a BW e.v.) in werking getreden. Zie daarover mijn eerdere artikel. In die procedure bij de Ondernemingskamer, kan een aandeelhouder vrijwillig uittreden of daartoe worden gedwongen en speelt de waardering van aandelen een belangrijke rol. Dat geldt vaak ook voor geschillen tussen aandeelhouders buiten de geschillenregeling om.

De Ondernemingskamer heeft een Leidraad vastgesteld die ingaat op belangrijke knelpunten bij de waardering van aandelen. De Leidraad geeft daarmee richting aan de prijsbepaling in de geschillenregeling (artikel 2:343c BW) en bevordert zo de rechtszekerheid voor partijen die gebruik (willen) maken van de geschillenregeling. De Leidraad kan echter ook nuttig zijn als aandeelhouders er op een andere manier proberen uit te komen. Deze bijdrage gaat in op een aantal belangrijke punten uit de Leidraad voor de waardering van aandelen.

Uitgangspunten voor de waardering
De opdracht van de waarderingsdeskundige is om te bepalen wat de waarde van de over te dragen aandelen of certificaten op een bepaalde datum is. De Ondernemingskamer kan de waarderingsdeskundige ook vragen bepaalde onderwerpen (zoals gedragingen van een bestuurder of aandeelhouder) die van invloed kunnen zijn geweest op de waarde in zijn onderzoek te betrekken. Het doel van het rapport van de waarderingsdeskundige is om de Ondernemingskamer in staat te stellen een reële en redelijke vergoeding voor de aandelen of certificaten vast te stellen, dat wil zeggen een prijs die in redelijke verhouding tot de waarde van de onderneming staat.

De Leidraad geeft als uitgangspunten voor de waardering:

  • De waarde van het aandelenbelang wordt vastgesteld op een pro rata parte deel van 100% van de aandelen of certificaten. In beginsel wordt er dus geen minderheidskorting of meerderheidsopslag toegepast.
  • De onderneming wordt zelfstandig (stand alone) en op dezelfde wijze (going concern) voortgezet.
  • De peildatum is in beginsel het moment waarop de Ondernemingskamer beslist op het verzoek tot uittreding of uitstoting.
  • Voor de waardering wordt de Discounted Cash Flow (DCF)-methode (of een variant daarvan) gebruikt. Daarbij worden de verwachte toekomstige geldstromen contant gemaakt. De deskundige mag dit combineren met andere methoden ter kruiscontrole of afwijken van de DCF-methode als hij toelicht waarom een andere grondslag leidt tot een betere bepaling van een reële en redelijke vergoeding voor de aandelen.
  • Bepalingen over de waardering in de statuten of aandeelhoudersovereenkomst worden meegenomen in de waardering, tenzij toepassing daarvan zou leiden tot een onredelijke uitkomst.

Medewerkingsplicht
Partijen moeten de deskundige in staat stellen zijn werk goed te doen door hem toegang te geven tot alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die hij relevant acht voor het onderzoek. Dit kan ook gelden voor andere nauw verbonden vennootschappen. Relevante gegevens kunnen ook interne rapportages en notities, managementinformatie, gespreksverslagen, notulen, correspondentie, e-mails en berichten die zijn verzonden via sociale media zijn. Als een partij zijn medewerking weigert, dan kan de raadsheer-commissaris (die vanuit de Ondernemingskamer toeziet op het deskundigenonderzoek) hem bevelen tot medewerking en ook kan de Ondernemingskamer aan die weigering consequenties verbinden.

Vertrouwelijkheid
Omdat de deskundige toegang krijgt tot vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie is het van belang dat de vertrouwelijkheid is gewaarborgd. Uiteraard is de deskundige tot geheimhouding verplicht, maar dat geldt ook voor de andere betrokken partijen. De deskundige hoeft niet altijd alle informatie met alle betrokken partijen te delen en niemand mag mededelingen doen over het waarderingsrapport.

Hoor en wederhoor
De deskundige zal partijen zo goed mogelijk in staat stellen zich uit te laten over zijn bevindingen. Met andere woorden: de bevindingen van de deskundige moeten herleidbaar en toetsbaar zijn. Als de deskundige toegang zich baseert informatie die vanwege de vertrouwelijkheid daarvan niet aan alle partijen ter beschikking staat, dan kan een partij daar bezwaar tegen maken en zal de Ondernemingskamer kunnen beslissen dat die vertrouwelijke informatie alsnog moet worden gedeeld of buiten beschouwing moet worden gelaten.

Conclusie
Indien u meer informatie wilt over de geschillenregeling bij de Ondernemingskamer of zich in een situatie bevindt waarbij aandelen moeten worden gewaardeerd, neem dan contact op met Robin de Jong

Geplaatst in: Ondernemingsrecht, Opinie

30 maart 2026

Omdat je verder wilt

Schijnzelfstandigheid: waar staan we?

Inleiding

Het onderwerp schijnzelfstandigheid houdt arbeidsrechtelijk Nederland al geruime tijd bezig. De aangekondigde herstart van de handhaving door de Belastingdienst per 1 januari 2025 zorgde voor flinke onrust bij opdrachtgevers en zelfstandigen. Veel bestaande zzp‑constructies zijn opnieuw tegen het licht gehouden en getoetst aan de criteria die in de rechtspraak zijn ontwikkeld (Hoge Raad: X/Gemeente Amsterdam (2020), Deliveroo (2023) en Uber (2025)).

Die onrust bij organisaties is begrijpelijk. Het onderscheid tussen loondienst en zelfstandigheid is in de praktijk vaak niet scherp te trekken. Ondertussen zijn er meerdere ontwikkelingen gaande, zowel op het gebied van handhaving als in de wetgeving, die moeten zorgen voor meer rust en duidelijkheid. In dit artikel komen de belangrijkste lijnen aan bod.

Handhaving met een ‘zachte landing’
Om te voorkomen dat de herstart van de handhaving direct tot grote risico’s op sancties voor opdrachtgevers zou leiden, is gekozen voor een zogenoemde zachte landing.

Per 1 januari 2025 betekent dit dat de Belastingdienst wel correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen kan opleggen bij constatering van schijnzelfstandigheid, maar in beginsel niet over perioden vóór 1 januari 2025. Boetes worden nog niet opgelegd. In plaats daarvan wordt ingezet op een begeleidende aanpak. De Belastingdienst start doorgaans met een bedrijfsbezoek, gericht op overleg en het verbeteren van de werkwijze, in plaats van direct handhavend op te treden.

Deze verzachtende aanpak is gedeeltelijk verlengd tot eind 2026. Ook in dit kalenderjaar geldt dat de Belastingdienst bij een vermoeden van schijnzelfstandigheid meestal begint met een bedrijfsbezoek. Het doel blijft overleg en het aanpassen van de praktijk waar nodig. Verzuimboetes blijven ook dit jaar in beginsel achterwege. Wel kunnen vergrijpboetes worden opgelegd als sprake is van opzet of grove schuld. Daarnaast kan de Belastingdienst bij een controle een langere periode onderzoeken dan alleen het laatste aangiftetijdvak. Naheffingen blijven daarmee een reëel risico.

Per 1 januari 2027 vervalt de zachte landing volledig en worden arbeidsrelaties weer op reguliere wijze gehandhaafd.

Nieuwe wetgeving
Naast de handhaving wordt gewerkt aan wetgeving die meer duidelijkheid moet bieden over de kwalificatie van arbeidsrelaties.

Wet Vbar
De Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet Vbar) beoogt de bestaande rechtspraak wettelijk vast te leggen. Het wetsvoorstel bevat verduidelijkende criteria voor werknemerschap, zoals gezag en organisatorische inbedding, en criteria die juist duiden op zelfstandig ondernemerschap.

Daarnaast introduceert het voorstel een rechtsvermoeden van werknemerschap bij lage uurtarieven. Zzp’ers met een uurtarief tot € 38 (peildatum 1 januari 2026) kunnen zich daardoor eenvoudiger op het standpunt stellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij de bewijslast voor het aantonen van het tegendeel bij de opdrachtgever ligt.

De Raad van State heeft zich kritisch uitgelaten over het voorstel en spreekt de verwachting uit dat het in de praktijk weinig extra duidelijkheid biedt. Het kabinet heeft inmiddels besloten het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar niet naar het parlement te sturen. Het onderdeel over het rechtsvermoeden bij lage tarieven blijft wel bestaan en wordt ondergebracht in de nieuwe Zelfstandigenwet.

Zelfstandigenwet
De aangekondigde Zelfstandigenwet kiest een andere insteek. De nadruk ligt minder op (her)kwalificatie achteraf en meer op rechtszekerheid vooraf. Centraal staat de vraag of partijen hun samenwerking als opdrachtovereenkomst mogen vormgeven.

 

Het beoogde toetsingskader bestaat uit meerdere elementen, waaronder:

  • een ondernemerstoets, waarin wordt gekeken of de werkende zich daadwerkelijk als ondernemer gedraagt (zoals ondernemersrisico, meerdere opdrachtgevers en tariefvrijheid);
  • een werkrelatietoets, die ziet op de feitelijke inrichting van het werk, zoals vrijheid in de uitvoering en de afwezigheid van hiërarchisch gezag;
  • mogelijke sectorale rechtsvermoedens en vormen van voorafgaande beoordeling, om in specifieke sectoren meer houvast te bieden.

De wet bevindt zich nog in de uitwerkingsfase. Het doel is om meer rust en voorspelbaarheid te brengen in een praktijk waarin opdrachtgevers de afgelopen jaren steeds terughoudender zijn geworden.

 

Tot slot
De handhaving op schijnzelfstandigheid is inmiddels op gang gekomen, terwijl de gewenste verduidelijking via wetgeving nog op zich laat wachten. Het verduidelijkingsdeel van de Wet Vbar is van tafel. De Zelfstandigenwet moet nog langs beide Kamers en zowel de inhoud als de beoogde inwerkingtredingsdatum van 1 juli 2026 is daarmee nog onzeker.

Voor organisaties is afwachten geen verstandige strategie. Zeker nu de verzachtende handhavingsmaatregelen per 1 januari 2027 eindigen, is het raadzaam om zzp‑constructies tijdig juridisch te laten toetsen. Een gerichte juridische check vooraf voorkomt fikse naheffingen en boete bij een controle en zorgt voor duidelijkheid en rust binnen de organisatie. Dat is doorgaans efficiënter – en uiteindelijk goedkoper – dan achteraf moeten repareren.

Certa advocaten denkt graag (tijdig) met je mee over wat deze ontwikkelingen voor jouw organisatie betekenen. Ben je benieuwd? Neem dan contact op met Sharif Ali of Matthijs Bos.

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 27
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Kantoorinformatie
    • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
    • Certa werkt samen met NVM
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV