• Door naar de hoofd inhoud

CERTA

Header Rechts

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact

Opinie

5 januari 2026

Omdat je verder wilt

Arbeidsrecht in 2026: wat u als werkgever moet weten!

Namens het arbeidsrechtteam van CERTA wensen wij u allereerst een voorspoedig en succesvol nieuwjaar toe. Ook in 2026 staan wij weer voor u klaar om u wegwijs te maken in de belangrijkste ontwikkelingen in het arbeidsrecht en de praktische gevolgen voor uw organisatie.

I. Strengere handhaving op schijnzelfstandigheid
Hoewel 2025 bedoeld was als overgangsjaar zonder boetes, bleef er veel onduidelijkheid bestaan bij zowel zzp’ers als opdrachtgevers over de beoordeling van arbeidsrelaties. De minister ging daarom deels akkoord met de wens van de Tweede Kamer om de zogenoemde ‘zachte landing’ van afgelopen jaar te verlengen. Kamerleden benadrukten dat er nog altijd te veel onduidelijkheid was. In 2026 geldt dat boetes alleen worden opgelegd bij ernstige overtredingen. Organisaties doen er daarom verstandig aan hun contracten en de feitelijke werkwijze met zelfstandigen kritisch te evalueren en waar nodig aan te passen, in afwachting van nieuwe wetgeving die meer duidelijkheid moet bieden.

II. Transitievergoeding in 2026
In 2026 blijft de berekeningssystematiek van de transitievergoeding ongewijzigd: de vergoeding bedraagt 1/3 bruto maandsalaris per volledig dienstjaar, naar rato voor een deel van een jaar. Wel is het wettelijke maximumbedrag per 1 januari 2026 geïndexeerd.​

De maximale transitievergoeding bedraagt in 2026 € 102.000 bruto, tenzij het bruto jaarsalaris van de werknemer hoger is; in dat geval geldt het hogere jaarsalaris als maximum. Dit is een verhoging ten opzichte van 2025, toen het maximum € 98.000 bruto bedroeg

III. Minimumloon en indexatie
Het wettelijk minimumuurloon is per 1 januari 2026 gestegen naar € 14,71 bruto voor werknemers van 21 jaar en ouder. Ook de minimumlonen voor jongere werknemers worden aangepast volgens de gebruikelijke halfjaarlijkse indexatie.

IV. Thuiswerk- en reiskostenvergoeding
De onbelaste thuiswerkvergoeding in 2026 bedraagt na indexatie € 2,45 per dag. De maximale onbelaste reiskostenvergoeding blijft € 0,23 per kilometer. Werkgevers mogen per dag slechts één van beide vergoedingen uitkeren.

V. Loonkostenvoordeel 56+
Het loonkostenvoordeel voor oudere werknemers (56+) is vervallen voor dienstverbanden die vanaf 1 januari 2024 zijn aangegaan. Voor bestaande dienstverbanden blijft het voordeel van kracht.

VI. Arbeidsbeperkten
In 2026 wordt het makkelijker voor werkgevers met meer dan 25 werknemers personen met een arbeidsbeperking in dienst te nemen. Het loonkostenvoordeel voor deze werknemers geldt nu zolang zij in dienst zijn, zonder dat een speciale verklaring van het UWV nodig is. Bovendien kan het voordeel hoger uitvallen wanneer een werkgever meer arbeidsbeperkten in dienst neemt dan volgens de quotumregeling verplicht is.

VII. Nieuwe cao voor uitzendkrachten
Vanaf 1 januari 2026 geldt een nieuwe cao voor uitzendkrachten. In deze cao zijn de arbeidsvoorwaarden van uitzendkrachten gelijkgesteld aan die van werknemers in vergelijkbare functies bij de inlener, waardoor gelijke beloning en bescherming wordt gewaarborgd.

VIII. Wetsvoorstellen en komende wijzigingen

  1. Wet VBAR (Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden)
    Deze wet verduidelijkt wanneer iemand in loondienst is en wanneer iemand als zelfstandige werkt. Het doel is schijnzelfstandigheid te voorkomen. De beoogde ingangsdatum is 1 juli 2026, maar dat is afhankelijk van goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer.
  2. Versobering compensatie transitievergoeding bij langdurige ziekte
    Vanaf 1 juli 2026 krijgen alleen kleine werkgevers (minder dan 25 werknemers) recht op compensatie van de transitievergoeding bij ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor grotere werkgevers (25 of meer werknemers) vervalt dit recht.
  3. Verplichte gedragscode ongewenst gedrag
    Werkgevers met meer dan 10 werknemers worden verplicht een gedragscode op te stellen tegen ongewenst gedrag op het werk. Personeel moet op de hoogte worden gebracht van de regels en procedures. De beoogde ingangsdatum is 1 juli 2026.
  4. Wet meer zekerheid flexwerkers
    Dit wetsvoorstel is gericht op betere bescherming van flexwerkers, waaronder het afschaffen van nulurencontracten en het voorkomen van misbruik van de ketenregeling. Uitzendkrachten krijgen gelijke arbeidsvoorwaarden als vaste medewerkers bij de inlener. De beoogde ingangsdatum is 1 juli 2026 voor gelijke beloning en arbeidsvoorwaarden, en 1 januari 2027 voor de overige onderdelen.
  5. Richtlijn loontransparantie (EU)
    Nederlandse werkgevers moeten zich voorbereiden op de implementatie van deze richtlijn, die gericht is op het verkleinen van de loonkloof tussen mannen en vrouwen. De richtlijn moet uiterlijk 1 januari 2027 in de Nederlandse wetgeving zijn verwerkt.
  6. Vereenvoudiging verlofstelsel
    De wetgever streeft naar een eenvoudiger verlofstelsel met drie hoofdcategorieën: zorg voor kinderen, zorg voor naasten en persoonlijk verlof. Het wetsvoorstel wordt in 2026 naar de Tweede Kamer gestuurd, met een verwachte ingangsdatum in 2028.

Conclusie: actie vereist
Werkgevers doen er verstandig aan te controleren of deze wijzigingen correct zijn doorgevoerd. Dit geldt zowel voor de inmiddels ingegane wettelijke aanpassingen, zoals het minimumloon en de thuiswerkvergoeding, als voor wijzigingen die voortvloeien uit nieuwe wetgeving. Tijdige aanpassing van HR-beleid en administratieve processen voorkomt problemen en boetes later in het jaar.

Bij vragen en voor ondersteuning bij de implementatie van deze wijzigingen, helpt CERTA u graag verder.

Namens het arbeidsrecht team,

Barbara Veldmaat, Serena Bank
[email protected]
Serena Bank
[email protected]

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

18 december 2025

Omdat je verder wilt

Zorgfaillissement: de vele dilemma’s

Introductie:
Wat gebeurt er als een zorginstelling failliet gaat? Achter de cijfers schuilt een wereld van juridische, ethische en praktische dilemma’s die direct raken aan patiënten, personeel en continuïteit van zorg.

Na een stijging in 2024 is het aantal faillissementen in Nederland in 2025 gedaald. Daarmee blijft Nederland een uitzondering binnen Europa, waar faillissementen juist toenemen. Toch is de zorgsector niet gespaard gebleven: de afgelopen periodes gingen diverse organisaties failliet, van thuiszorg tot jeugdzorg en ook cosmetische klinieken. Deze faillissementen brengen complexe uitdagingen met zich mee.

Continuïteit van zorg
Curatoren staan voor een lastig dilemma. Het doel van een faillissement is in beginsel het te gelde maken van activa, maar in de zorg is continuïteit cruciaal. Cliënten of patiënten mogen niet zonder zorg komen te zitten, terwijl personeel ontslag moet worden aangezegd. Voortzetting van zorg brengt extra kosten en risico’s, zoals dekking van aansprakelijkheidsverzekeringen en de vraag hoe ver de zorgplicht van verzekeraars reikt.

Conflicterende belangen
De curator balanceert tussen schuldeisers, die een maximale boedelopbrengst willen, en maatschappelijke belangen zoals zorgcontinuïteit en werkgelegenheid. Elke euro die naar tijdelijke zorg gaat, vermindert de mogelijke uitkering aan schuldeisers. Dit spanningsveld maakt zorgfaillissementen uniek en complex.

Privacy en dossiers
Een ander knelpunt is privacy. De AVG stelt strikte eisen aan het verwerken en overdragen van patiëntgegevens. Curatoren zijn na faillissement verwerkingsverantwoordelijk, maar mogen medische dossiers alleen met toestemming van de patiënt overdragen. Tegelijk geldt een bewaarplicht van 20 jaar. Digitalisering, archivering en inzagerecht zorgen voor extra uitdagingen.

Knelpunten en oplossingen
De huidige faillissementswet is niet volledig AVG-proof, vooral rond bijzondere persoonsgegevens en dossieroverdracht. Wetsvoorstellen zoals de Verzamelwet Gegevensbescherming moeten curatoren in de (nabije) toekomst meer bevoegdheden geven om gegevens te verwerken bij dringend maatschappelijk belang.

Conclusie
Het faillissement van een zorginstelling is veel meer dan een financieel-juridisch vraagstuk: het raakt direct aan de continuïteit van essentiële zorg, de bescherming van privacy en de rechten van kwetsbare patiënten. Curatoren bevinden zich in een spanningsveld tussen wet- en regelgeving, maatschappelijke verantwoordelijkheid en praktische haalbaarheid.

Hierbij geldt: een zorgfaillissement vraagt om maatwerk, samenwerking en voortdurende afstemming tussen alle betrokken partijen, met het belang van de patiënt altijd voorop.

Vragen of behoefte aan een toelichting? Neem gerust contact op met Cedric de Breet.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

11 december 2025

Omdat je verder wilt

Belangen van het kind bij ontruiming: Hoge Raad geeft handvatten

De Hoge Raad heeft op 28 november 2025 prejudiciële vragen beantwoord over de rol van artikel 3 IVRK bij vorderingen tot ontruiming van woningen waar ook minderjarige kinderen in wonen. Art. 3 lid 1 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. In de praktijk bestond geen eenduidige lijn over hoe zwaar de belangen van het kind moeten wegen bij ontbinding en ontruiming van woonruimte. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft daarom negen prejudiciële vragen gesteld, die met name betrekking hebben op de betekenis van ‘de eerste overweging’, de onderzoeksplicht van de rechter en de vraag of voorwaarden aan een ontruiming kunnen worden verbonden.

Prejudiciële vragen en overwegingen van de Hoge raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de belangen van het kind volgens art. 3 lid 1 IVRK  ‘de eerste overweging’ moeten vormen, maar niet doorslaggevend zijn. Dat betekent niet dat, als het belang van de kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een ontruimingsvordering altijd moet worden afgewezen, maar wel dat die belangen bijzonder gewicht in de schaal leggen.
De rechter moet de belangen van het kind expliciet meewegen naast factoren als (i) de beschikbaarheid van alternatieve huisvesting, (ii) de ernst van de tekortkoming van de huurder en (iii) het belang van de verhuurder.

De rechter dient (eventueel ambtshalve) te onderzoeken of kinderen bij de ontruiming zijn betrokken en welke gevolgen de ontruiming voor hen heeft. De rechter is hierbij wel afhankelijk van de informatie die partijen verstrekken; het is niet zijn taak om contact te leggen met gemeentes en hulpverleningsinstanties.

De Hoge Raad maakt ook duidelijk dat de rechter de ontruiming kan afstemmen op de omstandigheden van het geval door bijvoorbeeld een langere ontruimingstermijn te geven of de uitspraak aan te houden om het zoeken naar alternatieve huisvesting te faciliteren. De Hoge Raad benadrukt daarbij dat het zorgen voor opvang niet tot de verantwoordelijkheid van de verhuurder behoort.

Conclusie
De belangen van het kind moeten bij de beoordeling van de rechter als “eerste overweging” in aanmerking worden genomen, maar blijven onderdeel van een bredere belangenafweging waarin ook de belangen van verhuurder en omwonenden een rol spelen. De rechter moet daarbij actief onderzoeken wat de gevolgen van een ontruiming zijn, zonder de procesrechtelijke grenzen te overschrijden. Omdat de uitkomst van de belangenafweging per ontruimingszaak steeds afhangt van alle omstandigheden van het geval, neemt de voorspelbaarheid daarvan met deze uitspraak niet toe. Van een duidelijke lijn is vooralsnog geen sprake.

Lees de uitspraak van de Hoge Raad hier: ECLI:NL:HR:2025:1799, Hoge Raad, 24/04220

Vragen over de rol van art. 3 IVRK bij ontruimingsvorderingen?
Neem contact op met Juliette Soomers 

Geplaatst in: Opinie, Vastgoedrecht

8 december 2025

Omdat je verder wilt

Wanneer is te laat niet écht te laat? Een verschuiving in het bestuursrecht

Het bestuursrecht kent strikte termijnen. De vraag wanneer te late bezwaren toch moeten worden geaccepteerd, wordt echter relevanter. In de uitspraak van 12 november 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “Afdeling”) speelden medische en psychische problemen en geringe verwijtbaarheid een grote rol. Lees hieronder wat de Afdeling oordeelde en wat de gevolgen voor de praktijk zijn.

Zaak
De betrokkene vroeg op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen om overname van haar private schulden. De minister van Financiën (hierna: “Minister”) wees dit in juni 2022 af. De bezwaartermijn liep tot 8 augustus 2022, maar zij maakte pas op 22 februari 2023 bezwaar. De Minister verklaarde dit bezwaar daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt behandeld. De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet “verschoonbaar” was, omdat geen medische stukken bewezen dat zij zelf of via een ander geen bezwaar kon maken.

Verschoonbare termijnoverschrijding
Een bezwaar- of beroepschrift moet normaal binnen zes weken worden ingediend. Dit mag meestal ook pro forma, waarna de indiener later de redenen kan aanvullen. Bij te late indiening wordt het bezwaar of beroep doorgaans niet-ontvankelijk verklaard. Alleen wanneer er een geldige en overtuigende reden is waarom het stuk niet eerder kon worden ingediend, wordt een termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ geacht. Vanwege het belang van rechtszekerheid wordt zo’n uitzondering veelal niet snel aangenomen.

Verschoonbare termijnoverschrijding – de rechtspraak in beweging
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: “CBb”) oordeelde op 30 januari 2024 in vier uitspraken dat ruimer kan worden omgegaan met te late bezwaar- of beroepschriften. Volgens het CBb moet meer oog zijn voor bijzondere omstandigheden en per geval worden gekeken wat redelijk is. Ook de belangen van andere partijen spelen mee. Als derden nauwelijks nadeel ondervinden, is er meer ruimte om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Bijzondere omstandigheden kunnen extern maar ook persoonlijk zijn, zoals psychische problemen, ernstige ziekte of een ongeval. Ook wanneer iemand in mindere mate verwijtbaar heeft gehandeld, kan dat aanleiding zijn voor verschoonbaarheid. Wel moet het bezwaar- of beroepschrift alsnog zo snel mogelijk worden ingediend zodra dit redelijkerwijs kan.

Geringe verwijtbaarheid
De Afdeling oordeelt in deze zaak dat het te laat ingediende bezwaar toch ontvankelijk is. Volgens de Afdeling is sprake van een samenloop van bijzondere omstandigheden, vooral van medische en psychische aard, waardoor de termijnoverschrijding de betrokkene niet kon worden toegerekend. Haar partner kon haar bovendien niet helpen omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is. De Afdeling acht aannemelijk dat de vrouw direct rechtshulp heeft gezocht zodra zij daartoe weer in staat was, waardoor de verwijtbaarheid gering is. Er zijn geen belangen van de Minister of derden die aan verschoonbaarheid in de weg staan. Ook heeft haar advocaat zo snel mogelijk bezwaar gemaakt na kennisname van het weigeringsbesluit. De Minister moet het bezwaar daarom alsnog inhoudelijk behandelen.

Conclusie en gevolgen voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat er meer ruimte kan zijn om een te laat bezwaar toch verschoonbaar te achten. De zaak wordt dan toch inhoudelijk behandeld. Dit blijft echter altijd afhankelijk van de concrete omstandigheden, die goed moeten worden onderbouwd. Bestuursorganen doen er daarom goed aan zorgvuldig te beoordelen of een late indiening in het licht van de omstandigheden toch verschoonbaar is.

Speelt termijnoverschrijding en heb je vragen over bezwaar en beroep? Neem dan contact op met Werner Altenaar of Roza Morrison. Certa helpt je verder.

Geplaatst in: Bestuursrecht, Opinie

14 november 2025

Omdat je verder wilt

Wijziging van het thuiswerkbeleid: aandachtspunten voor jou als werkgever en ondernemingsraad

Je krijgt als werkgever of ondernemingsraad steeds vaker te maken met de vraag: kan het thuiswerkbeleid worden aangepast, en zo ja, onder welke voorwaarden? Dit artikel belicht de belangrijkste aandachtspunten voor veranderingen op dit gebied.

Thuiswerkregeling: wanneer wordt het een arbeidsvoorwaarde?
Thuiswerken is in veel organisaties tijdens de coronaperiode en daarna structureel ingevoerd. In de praktijk wordt thuiswerken regelmatig een arbeidsvoorwaarde, bijvoorbeeld na lange tijd structureel thuiswerken of als afspraken schriftelijk zijn vastgelegd. Dit betekent dat jij dit recht niet zomaar kunt intrekken: thuiswerken kan een verworven recht worden.

Wijzigen van het thuiswerkbeleid
Het wijzigen van arbeidsvoorwaarden – zoals het afbouwen van thuiswerken – kun je niet eenzijdig opleggen, tenzij sprake is van een zwaarwegend bedrijfsbelang en/of een contractueel wijzigingsbeding. Ook dan geldt een dubbele redelijkheidstoets: jouw voorstel moet redelijk zijn én aanvaarding door de werknemer mag niet onredelijk zijn. Zonder expliciete instemming van de werknemer is een wijziging juridisch vaak lastig af te dwingen. Jurisprudentie toont aan dat rechters streng toetsen of het bedrijfsbelang voldoende zwaarwegend is en zorgvuldig kijken naar de belangen van de werknemer.

De rol van de ondernemingsraad
Verandering van het thuiswerkbeleid valt onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad (artikel 27 WOR), omdat het beleid op arbeidsomstandigheden ziet – denk aan werkdruk, werk-privébalans en psychosociale arbeidsbelasting. Je moet bij het aanpassen van beleid dus altijd eerst instemming van de ondernemingsraad vragen. Pas als de ondernemingsraad instemt, kan het beleid formeel worden gewijzigd, maar ook dan kan een individuele werknemer bescherming behouden op basis van verworven rechten.

Praktische tips

  • Breng het bestaande beleid en de praktijk rondom thuiswerken goed in kaart.
  • Check of afspraken over thuiswerken schriftelijk zijn vastgelegd of door de tijd heen een “verworven recht” zijn geworden.
  • Overweeg of de voorgenomen wijziging zodanig zwaarwegend is dat deze juridisch te onderbouwen valt.
  • Betrek de ondernemingsraad tijdig en zorg voor een transparant wijzigingsproces.
  • Faciliteer hybride werkplekken en zorg dat de werkplek – thuis én op kantoor – voldoet aan alle Arbo-eisen.
  • Communiceer duidelijk met medewerkers over de gevolgen van een wijziging en vraag waar nodig expliciete instemming.

Heb jij als werkgever of ondernemingsraad vragen over het thuiswerkbeleid of wil je advies over de juridische mogelijkheden? Wij ondersteunen je graag.
Serena Bank en Barbara Veldmaat

Geplaatst in: Arbeidsrecht, Opinie

24 oktober 2025

Omdat je verder wilt

Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie wegens ‘succes’ verlengd

Op 12 augustus 2025 heeft staatssecretaris Teun Struycken in een brief aan de Tweede Kamer aangekondigd dat de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met twee jaar wordt verlengd. De wet bevat maatregelen voor meer transparantie en meer rechtsbescherming voor schuldeisers. Ook gaat de wet misbruik van turboliquidaties tegen. Deze verlenging volgt na een evaluatie van de wet en dient als overbrugging naar een definitieve regeling. In deze blog ga ik kort in op wat turboliquidatie inhoudt, de maatregelen uit de wet, de evaluatie ervan en kijk ik vooruit.

Turboliquidatie
Turboliquidatie houdt in dat een vennootschap zonder baten kan worden ontbonden. Met de Tijdelijke wet is beoogd misbruik van deze mogelijkheid tegen te gaan. Ten tijde van de invoering werd verwacht dat veel ondernemers vanwege de economische gevolgen van COVID-19 gebruik zouden maken van turboliquidatie. Om misbruik te voorkomen, heeft de wetgever aanvullende eisen gesteld aan dit proces.

Verplichtingen sinds invoering van de wet
Sinds de invoering van de wet geldt dat binnen 14 dagen na de turboliquidatie een overzicht van baten en lasten, samen met een financiële verantwoording, moet worden gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel. Daarnaast geldt een meldingsplicht aan schuldeisers over de deponering. Misbruik van turboliquidatie is strafbaar en kan leiden tot een bestuursverbod van maximaal vijf jaar.

Evaluatie
Uit de evaluatie blijkt dat de wet haar doel deels heeft bereikt. Er is meer transparantie ontstaan bij turboliquidaties en schuldeisers hebben een betere (bewijs)positie gekregen door de verplichting tot deponering. Wel kwam naar voren dat de handhaving verbetering behoeft. Het openbaar ministerie is als enige gerechtigd een bestuursverbod voor te leggen aan de rechter. Onze collega Lisanne Drenth merkte al op dat de handhaving van de wet bij het openbaar ministerie ligt en dat onduidelijk was of hier voldoende gebruik van zou worden gemaakt. In de evaluatie wordt opgemerkt dat schuldeisers zelf geen mogelijkheid hebben om de handhaving in gang te zetten en wordt geadviseerd deze mogelijkheid alsnog op te nemen.

Vooruitblik
De wet wordt met twee jaar verlengd, tot en met 15 november 2027, zodat de huidige voorzieningen niet vervallen. In de tussentijd werkt het kabinet aan een permanente wet, waarin de huidige maatregelen structureel worden vastgelegd, waarbij extra aandacht wordt besteed aan de handhaving en naleving van de wet. Welke maatregelen daadwerkelijk zullen worden genomen, is nog onduidelijk.

Heb je vragen over turboliquidatie, of word je als schuldeiser geconfronteerd met een turboliquidatie? Neem dan gerust contact op met Ragnild Meulenberg of één van onze andere specialisten.

Geplaatst in: Insolventie, Opinie

  • « Ga naar Vorige pagina
  • Pagina 1
  • Pagina 2
  • Pagina 3
  • Pagina 4
  • Interim pagina's zijn weggelaten …
  • Pagina 26
  • Ga naar Volgende pagina »

Amsterdam
Keizersgracht 620
1017 ER Amsterdam

 

Bussum
Brediusweg 20
1401 AG Bussum

 

020 521 6699 | [email protected]

 

KvK: 34342484 | BTW nr: 8208.79.368.B01

Juridische informatie:

Algemene Voorwaarden

Klachtenregeling

Privacyverklaring

Rechtsgebiedenregister

Evaluatieformulier

Rechten & informatie voor natuurlijke personen, wederpartijen

Snel naar:

  • Logo
  • Menu sluiten
  • Over ons
    • Ons team
    • Ons kantoorpand op de Keizersgracht
    • International Legal Networks
    • Vacatures
    • CERTA & Big Friends
  • Expertises
    • Arbeidsrecht
    • Bestuursrecht
    • Omgevingsrecht
    • Contractenrecht
    • Incasso
    • Insolventierecht
    • WHOA
    • Ondernemingsrecht
    • Vastgoedrecht
    • Woningcorporaties
    • Sport
  • Nieuws & Kennis
    • Nieuws & Actualiteiten
    • Certa deelt kennis met Pont
    • Certa expert van ABN AMRO
  • Faillissementen
    • Veelgestelde vragen
  • Contact
  • Zoeken
© 2026 CERTA | Realisatie: Probu

Privacyverklaring & AV koppeling

Privacyverklaring  |  AV